Politieke filosofie voor nuchtere, grote mensen

De kans dat Obama of Poetin Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie van deze conservatieve denker op hun bureau hebben liggen is klein. Jammer, want ze zouden er veel uit kunnen leren.

Vorige maand kreeg de Londense Big Ben een schoonmaakbeurt Reuters/Toby Melville

Aan politieke filosofie heb je niet veel in crisistijd. Als het er echt om spant, zijn er weinig denkers met direct bruikbare adviezen. Dat Machiavelli bij Poetin, Obama of Rutte op het nachtkastje ligt, kan ik me nog voorstellen, maar verder? Wie er in elk geval niet zal liggen is Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) met zijn Grundlinien der Philosophie des Rechts, de in 1821 voor het eerst gepubliceerde ‘leidraad’ bij zijn colleges, waarin Hegel zijn politieke theorie uiteenzet. Uitgerekend van dit boek is in deze roerige zomer een Nederlandse vertaling verschenen.

Een forse handicap lijkt al meteen de bekentenis in het voorwoord, dat zijn filosofie slechts een inzicht achteraf te bieden heeft. ‘De uil van Minerva begint zijn vlucht pas bij het vallen van de schemer’, luidt de misschien wel beroemdste zin van het boek. De wijsheid komt als mosterd na de maaltijd – in het vuur van de strijd geen bemoedigende gedachte.

Toch bevat Hegels Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie een interessante passage, die misschien ook op de actualiteit van toepassing is. Hegel beschrijft er de geschiedenis als de uiterlijke verschijningsvorm van de vooruitgang van de wereldgeest op weg naar absolute zelfkennis. Staten, volkeren en individuen zijn de ‘niet-bewuste werktuigen en ledematen’ van dit ‘innerlijke gebeuren’. Telkens is er één volk dat daarvan de spits vertegenwoordigt en dan een tijdlang de wereld overheerst – totdat een ander volk de fakkel overneemt. Zo verklaart Hegel de opkomst en ondergang van de wereldmachten.

Maar wat gebeurt er met een volk waarvan de wereldhistorische rol is uitgespeeld? Zo’n volk kan zijn zelfstandigheid verliezen, schrijft Hegel, maar misschien ‘zet het zijn bestaan of vegeteren voort als bijzondere staat of als een vereniging van staten om, zoals het toeval dicteert, zich naar binnen toe in allerlei plannen en naar buiten toe in oorlogen te storten’.

Rusland

Toen ik dit las, moest ik prompt aan Rusland denken, maar ook aan Europa en aan de Verenigde Staten – drie wereldmachten op hun retour, die elk met binnenlandse strubbelingen kampen en nu ook met elkaar overhoop liggen. Als we Hegels geschiedfilosofie serieus nemen, is niets zinlozer. De geest heeft zijn gunsten allang aan een ander volk (China?) geschonken. Hegel behandelt de wereldgeschiedenis pas in de laatste paragrafen van zijn Rechtsfilosofie, maar dat wil niet zeggen dat het om iets onbelangrijks zou gaan. De geschiedenis belichaamt voor hem het ‘laatste oordeel over de wereld’ en heeft dus ook voor het recht en de politiek de hoogste betekenis. Alleen wat die betekenis precies inhoudt, daarover wordt al sinds 1821 getwist. Een andere beroemde zin uit het voorwoord geeft aan wat er op het spel staat: ‘Wat redelijk is, dat is werkelijk; en wat werkelijk is, dat is redelijk’. Met de geschiedenis als ultieme scheidsrechter zou het erop neer komen dat alles wat historisch succes heeft, om die reden gerechtvaardigd is. Kritiek heeft geen zin. Maar leg je de nadruk op de redelijkheid, dan kan kritiek wel degelijk zinvol zijn. Sommige van Hegels leerlingen (de zogenaamde Links-Hegelianen, onder wie Karl Marx) hebben de werkelijkheid op allerlei manieren geconfronteerd met haar onredelijkheid. Met hun kritiek had Hegel zelf, die in 1831 bezweek aan de cholera, nooit ingestemd. Hem was het niet in de eerste plaats te doen om kritiek op de werkelijkheid. Maar dat hij reclame maakte voor het Pruisisch absolutisme, zoals vaak beweerd is, klopt evenmin; in zijn Rechtsfilosofie pleit hij juist voor een – destijds in Pruisen niet bestaande – constitutionele monarchie. Nog minder terecht is het om, in navolging van Karl Popper, van hem een heraut te maken van het twintigste-eeuwse totalitarisme.

Tegen utopisme

Filosofie was voor Hegel ‘het doorgronden van het redelijke’, ofwel ‘het begrijpen van het tegenwoordige en werkelijke’. De natuurwetenschap bracht de verborgen rationaliteit of wetmatigheid van de natuur aan het licht, de filosoof moest hetzelfde doen voor de ‘zedelijke’ wereld van moraal, recht en politiek. Waarom die wereld overlaten aan ‘toeval en willekeur’? Deze inzet wint aan reliëf, als je ziet waar Hegel zich tegen keerde, namelijk tegen moralisme en utopisme. Moraal en recht waren geen abstracte, transcendente waarden die tegen de werkelijkheid mochten worden gericht. Wie dat toch deed, veroorzaakte enkel rampspoed en ellende. Dat was wel gebleken tijdens de Franse Revolutie, toen men met bloedig geweld had geprobeerd de werkelijkheid te conformeren aan volstrekt abstracte idealen.

In Hegel schuilt onmiskenbaar een conservatief denker, maar reactionair was hij niet, getuige zijn even felle kritiek op collega Von Haller, die de soevereine willekeur van de vorst verdedigde. Van de Franse Revolutie veroordeelde hij alleen de excessen. Dat tekent zijn gematigdheid – zijn geestverwanten in de politieke filosofie heten Aristoteles en Montesquieu. De mens was ook voor Hegel een sociaal wezen, met de vrijheid als hoogste waarde en belang.

In het recht realiseerde de mens die vrijheid, zij het niet in het luchtledige. Vrijheid zonder sociale en politieke inbedding noemt Hegel ‘negatieve’ vrijheid, een vorm van willekeur die in werkelijkheid nooit voorkomt. Neem je die vrijheid tot ideaal, dan is dat vragen om moeilijkheden. Vrijheid kan alleen ‘reëel’ zijn in het kader van moraal, zeden, instituties, en vindt zijn hoogste verwezenlijking in de staat, de ‘werkelijkheid van de concrete vrijheid’, aldus Hegel.

Het najagen van hersenschimmen was even zinloos als schadelijk. Daarom deed Hegel zijn best om vrijheid en redelijkheid in de reëel bestaande wereld te vinden. Alleen zo konden mensen verzoend raken met hun lot. En met zijn metafysica van de geest en zijn dialectiek was hij ervan overtuigd dat hij over de juiste middelen beschikte om deze klus te klaren. In eigen ogen was hij de enige filosoof die ware ‘wetenschap’ bedreef; bij hem hoefde niemand bang te zijn voor heilloos subjectivisme, scepticisme of relativisme.

Helaas zit hier ook het meest problematische aspect van Hegels politieke filosofie. Het is soms adembenemend om te volgen hoe hij, uitgaande van de geest als wil, via het abstracte recht, de moraliteit en de zedelijkheid bij de rationele staat uitkomt, onderweg alles in drieën delend, precies zoals de dialectiek het voorschrijft. Ook zijn er geregeld opmerkelijke inzichten en aperçu’s, vooral in de paragrafen over de ‘burgerlijke maatschappij’. In deze wereld van markt en economie gaan extreme armoede en rijkdom gelijk op – reden waarom Hegel, ook in dit opzicht gematigd, de nijvere burger niet volledig de vrije hand wil laten. Maar je moet wel heel erg in Hegels metafysica geloven om deze begripsmatige reconstructie van de wording van de rationele staat helemaal overtuigend te vinden. Veel minder geldt dat voor de houding of de sfeer die uit dit denken spreekt. Het ontbreken van gratuit moralisme, de afkeer van utopische luchtfietserij en het onsentimentele realisme hebben nog altijd iets verkwikkends. Dit is politieke filosofie voor nuchtere grote mensen, niet voor in hun fantasie levende en dus vaak ontevreden kleine kinderen.

Kinderen komen vast niet ver in de Rechtsfilosofie, ook al geldt deze als een van Hegels meer toegankelijke teksten. Dat laatste blijft in zijn geval toch iets heel betrekkelijks. Juist de wetenschappelijke, systematische aanpak leidt tot een abstractieniveau dat ook grote mensen kan intimideren. Vertaler Willem Visser heeft alle zeilen bij moeten zetten, bijvoorbeeld door lange zinnen in stukken te hakken, om de leesbaarheid althans iets te vergroten. Daarvoor verdient hij onze dankbaarheid. Wel vind ik het jammer dat hij de – later bijgevoegde – toelichtingen uit de colleges heeft weggelaten. Ze komen weliswaar uit de dictaten van zijn studenten en zijn dus strikt genomen niet van Hegel zelf, maar ze bevatten vaak concrete voorbeelden en zijn in een iets minder stroef jargon geschreven. Kennelijk was Hegel als spreker wat losser en levendiger dan als auteur. Veel scheelt het niet, maar bij zulk lastig proza is elke handreiking welkom.