Column

Per scooter

Ik keek verbaasd op toen ik, lopend langs het beeld van Multatuli op het Singel in Amsterdam, een man tegen zijn vrouw hoorde schreeuwen: „Het moet nou maar eens afgelopen zijn!” Echtelijk gekijf in het openbaar maak je nog maar zelden mee, vermoedelijk omdat de meeste echtelieden tegenwoordig al uit elkaar zijn nog voordat ze dit trieste stadium konden bereiken.

De man had een nogal zonderlinge situering gekozen voor deze fase van zijn huwelijkscrisis. Voor de aanwezigheid van Multatuli viel nog wel iets te zeggen: dat kon óók een opvliegend man zijn die bovendien ruime ervaring had met huwelijksdrama’s. Maar deze man had besloten zijn echtelijke ruzie uit te vechten, terwijl hij zich op een grote witte scooter voortbewoog. Hij zat er uitdagend bij, het brede achterwerk lui naar achteren en de rechterarm waarschuwend geheven.

Zo hobbelde hij voort over het plaveisel. Het tempo van zijn scooter lag noodgedwongen laag, omdat zijn vrouw hem anders onmogelijk kon bijbenen. Zij liep op het trottoir en was niet in staat veel harder te lopen – ze was naar schatting een maand of zes in verwachting. Ze was klein van stuk en droeg een spijkerbroek en een wit T-shirt dat krap om haar bovenlichaam spande.

„Ik heb uren op je zitten wachten”, raasde de man boven het geluid van zijn motor uit, „maar je laat het gewoon afweten. Je had me toch wel even kunnen bellen of sms’en? Zo gaat het nou altijd. Ik ben het zat.”

De vrouw riep een paar slecht gearticuleerde zinnen terug die ik niet goed kon verstaan, maar die er ongetwijfeld op neerkwamen dat zij ook alle reden had om bitter teleurgesteld te zijn in hém.

„Het ligt nooit aan jou, maar altijd aan anderen”, onderbrak de man haar. „Ik ken je smoezen. Je begrijpt toch wel dat het zo niet langer kan doorgaan?”

Hij gaf een dot gas, alsof hij de definitieve verwijdering al wilde inzetten, maar hij remde af toen hij over zijn schouder zag dat zijn vrouw in snikken was uitgebarsten.

De tranen kwamen zo overvloedig dat ze aarzelde om de drukke Spuistraat over te steken. Hij bleef aan de overkant op haar wachten – een gebaar dat haar niet kon ontgaan. Even later bewogen ze zich weer heftig ruziënd naast elkaar voort, hij op zijn scooter, zij te voet.

„Jij laat mij altijd alles regelen, je verzet geen poot”, hoorde ik haar zeggen.

„Stap maar achterop”, bood hij opeens aan. Ze bleef staan en aarzelde. „Toe nou”, drong hij aan, „het is zo wel genoeg geweest.”

Ze schudde het hoofd en liep trots door naar de Nieuwezijds Voorburgwal. Hij reed in slakkegang achter haar aan en parkeerde zijn scooter op het trottoir. Zij was aan de rand van de weg blijven staan, klaar om over te steken. Hij belette dat door vóór haar te gaan staan en haar vervolgens zo krachtig te omhelzen dat het iets kreeg van een judoachtige verwurging. Ze huilde nog steeds.

„Toe nou”, zei hij weer.

Zo bleven ze tegen elkaar aangedrukt staan. Het had de iets te pathetische slotscène van een iets te pathetische speelfilm kunnen zijn, zo’n film waarvoor de scenarioschrijver een open einde had gekozen, omdat hij niets anders kon verzinnen. Ik heb een veel betere reden om het open te laten eindigen: ik moest mijn tram halen.