Omarm altijd alle mogelijkheden

Een man zoekt op Texel naar een vermiste jeugdvriend. Er zijn sporen, halve sporen en veel onwaarschijnlijkheden. Intussen ontstaat een mooi portret van de speurder.

Bart Koubaa (r) en eenvechtkwartel Foto Merlin Daleman

Ik weet dat dit niet als een aanbeveling klinkt, maar toch: eigenlijk heeft het geen zin de boeken van Bart Koubaa maar één keer te lezen. Niet dat de eerste lezing van De vogels van Europa een straf is, integendeel. We maken kennis met Maarten de Ridder, een man die de juiste leeftijd heeft voor een midlifecrisis. En ook de juiste baan trouwens: hij werkt bij Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie.

Maarten wordt plotseling opgeschrikt door het bericht van de vermissing (en vervolgens de dood) van zijn jeugdvriend Eddie Bonte. Zou dat te maken hebben met de zomervakantie die hij, Eddie, een derde vriend en de leider van hun kerkkoor in 1980 doorbrachten op het Nederlandse eiland Texel – ook ongeveer de laatste keer dat hij Eddie zag?

Maarten de Ridder gaat op onderzoek uit. Hij neemt twee weken onbetaald verlof, zet als een heuse detective een whiteboard in zijn kamer, waarop hij een foto van Eddie plakt en overige aanwijzingen verzamelt. Hij komt in contact met de vrouw van Eddie, met de dochter van Eddie (ja, vooral met de dochter!), gaat langs bij de oude koorleider en breekt zich het hoofd over wat er toch op Texel gebeurd kan zijn. Ten slotte onderneemt hij de reis naar het waddeneiland om een weekend door te brengen in dezelfde bungalow als 35 jaar eerder. Zijn vrouw, intussen, vraagt zich af of Maarten gek is geworden. Dat is zeker een mogelijkheid.

Intussen passeren veel vogels de revue – de hoofdstukken zijn naar Europese soorten genoemd. Maarten hoopte op Texel de befaamde vechtkwartel te zien. Andere terugkerende elementen zijn Maartens openstaande gulp, vogels die uit nesten vallen en nogal wat heupflacons. Wie het werk van Koubaa (De vogels van Europa is zijn zevende roman) een beetje kent, weet dat de kans op een heldere ontknoping van dit alles statistisch gezien zeer klein is. Wie deze roman als een thriller leest, komt een aantal gierende onwaarschijnlijkheden tegen. Daarom is de tweede lezing belangrijker: dan ben je minder gefixeerd op alle hele en halve sporen (mysterieus fotorolletje, bebloede kleding) die de schrijver in het verhaal heeft opgenomen.

Koubaa trakteert de lezer op een reeks aardigheden over het beroepsveld van zijn hoofdpersoon, als: ‘De mens heeft gemiddeld minder dan twee benen.’ Een statistische waarheid als een koe, al haalt Koubaa er dan weer snel een flamingo bij en legt hij uit waarom dat dier op één been staat. Meestal. Waarschijnlijk.

Halverwege de roman legt Maarten uit waarom hij in de toch niet woest opwindende statistiek werkzaam is: ‘Ik voel me beter, hoe zal ik het zeggen, ik voel me beter tussen mogelijkheden dan tussen leugens. Wat ik wil zeggen is dat ik meer in de zwerm spreeuwen geïnteresseerd ben dan in het persoonlijke verhaal van één spreeuw...’

Dat is precies de zin die je gelezen moet hebben om in tweede instantie te genieten van wat Koubaa met deze anti-detective voor ogen gehad moet hebben. Want hij kan het bovenstaande in de mond van een statisticus hebben gelegd: hij heeft er ook zijn eigen poëtica haarscherp mee aangeduid.

Want al zijn hele schrijverschap is Koubaa een auteur voor wie de mogelijkheid belangrijker is dan de vastgelegde waarheid (of leugen). Wat hij doet is steeds nieuwe mogelijkheden scheppen: theorieën, kansen op een oplossing.

Die methode brengt de ontraadseling van Eddies verdwijning geen stap dichterbij, integendeel: bij elke nieuwe mogelijkheid raakt de ontknoping verder uit zicht. Het is met mysteries immers zo als met vogels; al in het begin van de roman citeert Koubaa de Europese vogelgids: ‘De herkenning is meestal het resultaat van een eliminatieproces; weinig vogels worden uitsluitend op positieve gronden geïdentificeerd.’

De vogels van Europa is een roman waarin de mogelijkheden niet worden ingedikt tot één plotlijn met een duidelijk doel, maar juist een feest van mogelijkheden. Die geven stiekem een schitterend portret van Maarten de Ridder, die ene spreeuw in de zwerm. Hij is natuurlijk gewoon een van de mannen over de helft van hun leven, op zoek naar nieuwe kansen. (Koubaa is van 1968, maar dat terzijde.) De wat naïeve wijze waarop hij alle, al dan niet ingebeelde, nieuwe mogelijkheden omarmt, maakt een onweerstaanbaar karakter van hem.

De mooiste scène van de roman vindt plaats wanneer Maarten de vrouw van de vermiste Eddie bezoekt, en haar plotseling vraagt of zijn vriend misschien een vogelgids heeft meegenomen bij zijn onopgehelderde vertrek. Het is absurd, het is onbeholpen – en daarom is het zo ontroerend. Alleen al de mogelijkheid dat er na 35 jaar een vriend opduikt die je wil komen redden en die dan doodgemoedereerd zijn aanwijzingen op Texel zoekt, alsof de tijd heeft stilgestaan, is een diep troostende gedachte. De kans is niet groot, maar het zou kunnen. Zoals je op Texel een vechtkwartel zou kunnen tegenkomen. Het zijn de mogelijkheden die ons in leven houden.