Hoe de oorlog het gewone leven raakt

Zondag begint op National Geographic een grote documentaireserie over de Eerste Wereldoorlog. Gemaakt met behulp van 500 uur materiaal uit álle oorlogvoerende landen.

Een foto uit 1914. Apocalypse: World War One maakt veel gebruik van familiefilmpjes, die door alle vijf afleveringen worden geweven. Foto ECPAD

Tussen het jonge groen van een bos schieten Oostenrijkse soldaten een Skoda-kanon af. Duitse rekruten inspecteren hun rantsoen, onhandig balancerend met hun bajonet in de ene hand, de net verkregen sokken in de ander. Britse militairen in kaki uniformen laten zich afstempelen, Fransen zwaaien vanuit een trein enthousiast met hun witte zakdoeken naar de cameraman. Op weg naar, zo zegt de commentaarstem, het „mannelijke avontuur” van de Eerste Wereldoorlog.

Maar wie vreest zondagavond op National Geographic de zoveelste documentaire over die oorlog te moeten zien, en het verhaal nu wel denkt te kennen, komt bedrogen uit. Voor Apocalypse: World War One verzamelden de Frans-Canadese makers vijfhonderd uur, deels onbekend materiaal uit álle oorlogvoerende landen. Dat ook nog eens in kleur wordt uitgezonden.

Dat levert verrassende beelden op: dansende Servische soldaten, die na een slag in 1914 denken de oorlog te hebben gewonnen, Algerijnen in hun witte zwemvesten op een boot op weg kolonisator Frankrijk bij te staan, de dochters van tsaar Nicolaas II walsend met hun partners. Bewust kozen de makers ervoor niet alleen de loopgraven te laten zien, maar ook hoe de oorlog het gewone leven raakte.

Het materiaal werd geschoten door gelegerde militairen, door de nieuwscamera’s van Pathé, en zelfs door particulieren. „Dat was een grote verrassing. Het was het begin van de filmindustrie: camera’s waren groot, zwaar en je had technische kennis nodig om ze te bedienen”, vertelt producent Louis Vaudeville na een persvoorstelling in Londen.

„We hebben in allerlei landen contact met winkels die familiefilms overzetten op dvd’s. Ze zijn fantastisch, ze belden ons om te vertellen dat ze ‘iets geweldigs’ hadden gevonden. Zo vonden we een Fransman van in de zeventig die alle films, foto’s en papieren van zijn grootvader uit de oorlog had bewaard.” Die familiefilmpjes wordt door alle vijf afleveringen geweven. „Veel zat ook in archieven. Vaak vraagt men naar beelden van marcherende legers, maar cameraploegen documenteerden ook het gewone leven.”

Alle zwart-witbeelden zijn gerestaureerd, ontdaan van hun schokkerigheid en versnelling, en ingekleurd. Dat laatste is „onontbeerlijk”, vertelt producent Josette Normandeau. „Het brengt de oorlog dichterbij.” Het duo merkte het bij Apocalypse: World War Two uit 2008, dat wereldwijd de best bekeken historische documentaire ooit werd op National Geographic. „Dertig procent van de kijkers was jong, en er werd met de hele familie gekeken. Dat is zeldzaam”, zegt Normandeau. En stellig: „Vrouwen kijken geen zwart-wit. Jongeren ook niet.”

Het resultaat heeft veel weg van oude autochrome foto’s: de kleuren zijn zacht pastel, met af en toe een flits rood – bloed, de broeken van de soldaten in de Elzas.

Vaudeville en Normandeau beseffen dat inkleuring „in sommige kringen van historici” nog altijd wordt gezien als „blasfemie”. „Bij World War Two was het een episch gevecht om toestemming te krijgen van sommige archieven”, zegt Vaudeville. „Maar ik heb echt het idee dat je de kijker meer informatie geeft dan met de vijftig tinten grijs van toen.” Normandeau: „Onze taak is laten zien wat onze grootouders doorstonden, en je wilt dat het publiek hen begrijpt. We veranderen de geschiedenis niet, we vulgariseren niet.”

Ze vertelt hoe een team historici werkte aan een kleurenbijbel zodat de uniformen ook echt de goede kleur kregen. Vaudeville: „Veel informatie is er: het uniform van Franz Ferdinand waarin hij stierf, hangt in een museum in Wenen.” Normandeau: „Sissi’s jurk is zwart - hij bestaat nog. Discussie was er bijvoorbeeld als Nicolaas II van Rusland en de Britse George V naast elkaar stonden: ze zijn neven en lijken als twee druppels water op elkaar. En als ze elkaars leger inspecteerden, droegen ze uit eerbied soms het uniform van de ander. Welke kleur is het dan, welke decoraties, welke vlag.”

Net zo zorgvuldig werd het geluid gekozen. Daarvoor werd gebruikgemaakt van een geluidsarchief van een verzamelaar, die al ruim dertig jaar geluiden uit de Eerste Wereldoorlog bijeensprokkelt. Normandeau: „In de loopgraven wisten de soldaten aan de hand van het geluid wat er op hen afkwam en of het achter hen, op hen of voor hen zou vallen.” En bovendien: „Historische fanatici horen onmiddellijk of je het verkeerde geweer gebruikt.” Vaudeville: „Je hoort het vallen van de hulzen.” De productie, waaraan zeventig man meewerkten, kostte drie jaar.

De eerste van vijf afleveringen van Apocalypse is helaas een taaie: er moet een context geschapen worden voor kijkers in landen waar de Eerste Wereldoorlog „minder bekend is dan voor de Belgen, Fransen en Britten”. Er zit een element van klassenstrijd in, doordat de Franse makers inzoomen op de pacifist Jean Jaurès, en mijnwerkers tegenover walsende en ballonvarende rijke industriëlen zetten.

Dat is niet bewust. Normandeau: „Tijdens de oorlog is er niets anders dan oorlog.” Apocalypse wil „een monument in beelden zijn voor allen die stierven”. „Je ziet ze naar hun dood marcheren.”

Er wordt geen schuldige aangewezen. Of liever: de schuld wordt evenredig verdeeld. Aflevering één begint met de woorden: „Welke gekte nam bezit van de Serviërs, de Oostenrijkers, de Duitsers, de Fransen, het hele Britse rijk? Allen verliezen ze hun jeugd, hun lichamen of hun verstand.” Vaudeville: „Niemand is alleen verantwoordelijk voor deze oorlog: het is een gedeelde schuld.”