Heerlijk, lezers en literatoren zijn een bedreigde diersoort

‘Laten we dan voor de boeken bij elkaar blijven’, zegt de ongelukkige man tegen zijn vrouw. ‘Kun je dichter worden zonder businessplan?’ luidt de vraag aan de eenzame man achter het spreekgestoelte. ‘Die boeken moeten weg’, zegt de makelaar. ‘Ze schrikken potentiële kopers af.’

Ongetwijfeld wordt er nog wel eens een chique studie gewijd aan de literaire cultuur van de laatste twintig jaar (werktitel: Het lek in de Speedboot. Lezen en schrijven in Nederland na 2000), maar eigenlijk is dat boek overbodig met de verschijning van Hoe open ik een boek, de bundeling van boekencartoons die Stefan Verwey al twintig jaar maakt voor De Volkskrant. (ook tentoongesteld in het Persmuseum, Amsterdam) Alles staat erin. De kloof tussen schrijver en (niet-)lezer: ‘Wat een ego! Hij leest alleen voor uit eigen werk.’ De verwarrende opkomst van het e-book: ‘Ons leesclubje bespreekt geen e-boeken’). En de angst voor het einde der leestijden: ‘Mevrouw vraagt naar de boekenafdeling. Hebben we die nog?’

Er zit iets masochistisch aan het defaitisme van de literatuurliefhebber. Jarenlang hebben we stiekem geloofd dat we een betere diersoort waren. Die eigendunk is er inmiddels door de tellende kaste wel uitgeramd. Kijkcijferaars, leescijferaars en verkoopcijferaars melden ons dat boeken niet meer meetellen. Dus troosten lezers en literatoren zich met de gedachte dat we in elk geval een bedreigde diersoort zijn.

Terwijl de kern van de literatuur niet schuilt in het resultaat, maar in het verlangen. Zie het stuk van de Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli in het uitstekende nieuwe nummer van Tirade. Ze beschrijft hoe ze in Madrid boeken stal en hoe ze naar New York verhuisde zonder haar boeken mee te nemen. Daar heeft ze nu net Moby-Dick gekocht, ondanks de drie exemplaren die nog in de opslag in Mexico liggen . Want er zijn boeken die je in de buurt wil hebben.

Het misverstand over grote boekenkasten is dat ze bedoeld zijn om indruk te maken op het bezoek. In werkelijkheid zijn boeken als huisdieren: je praat ertegen, hebt er diepe gevoelens voor en je maalt er niet om dat je nooit een coherent antwoord krijgt. (In mijn oudere boeken leven kleine beestjes, maar dat terzijde.)

Intussen is het leesverlangen een afgeleide van het echte verlangen, het verlangen om te schrijven. (Sommigen zeggen ‘noodzaak’, maar dat is stoerdoenerij.) Daarover staat ook een schitterend stuk in Tirade, van Walter van den Berg dat begint bij Jaws en zijn stiefvader: ‘Mijn bepalende stiefvader en ik hielden van elkaar. Ik was de enige in zijn leven door wie hij zich niet bedreigd voelde en hij was de enige in mijn leven die me serieus nam [...] Maar hij sloeg mijn moeder.’ Van zo’n man ga je schrijven, legt Van den Berg uit.

Het kan nog korter: Arnon Grunberg beschreef in De Volkskrant het afwachten bij de hartoperatie van zijn moeder: ‘Mijn zus bidt, ik schrijf.’