‘God was zijn geloof in mij allang kwijt’

Een half jaar voor zijn aangekondigde Boekenweekgeschenk heeft Dimitri Verhulst een autobiografische roman over ‘afgedankte’ kinderen geschreven. Het boek is gemengd ontvangen. ‘Ik ben er eigenlijk te subtiel in te werk gegaan.’

Dimitri Verhulst: ‘Mijn zelfkritiek is voldoende ontwikkeld om te weten dat ik blij mag zijn met dit boek’ Foto Roger Cremers

‘Ik sta met een zeker overwinningsgevoel naar mijn verleden te kijken’, zegt Dimitri Verhulst halverwege het interview in de tuin van zijn uitgeverij. We hebben het over zijn net verschenen roman Kaddisj voor een kut – een boek over afgedankte kinderen die worden achtergelaten in een instelling. Het leven daar – waar gebrek aan liefde en geborgenheid de norm is – vormt de achtergrond van het verhaal. In het eerste deel pleegt een zestienjarig meisje zelfmoord, waarna de verteller naar de begrafenis gaat en terugdenkt aan hun gemeenschappelijke tijd in die instelling. In het tweede deel gaat over twee instellingskinderen die hun eigen kinderen hebben vermoord.

De roman is gebaseerd op waar gebeurde verhalen, de moord op de twee kinderen haalde de kranten en Verhulst onderzocht het relaas van de moordende ouders.

Vorige week oordeelde recensent Arjen Fortuin in deze krant dat het eerste deel van het boek – over de zelfmoord – het beste was dat Verhulst ooit had geschreven, maar dat het tweede deel – over de kindermoorden – een dieptepunt vormde. ‘Geweldsporno’, noemde Fortuin de beschrijvingen van die twee moorden.

Verhulst – die zelf vanaf zijn dertiende in pleeggezinnen werd grootgebracht en vanaf zijn zestiende in een instelling voor verwaarloosde jongeren zat – vindt die term pijnlijk. „Als er wordt bedoeld dat ik geen zwarte balkjes op de werkelijkheid zet vanwege dingen die niet gezien mogen worden, dan klopt dat. Ik ben geen schrijver om dingen te verbergen. Ik heb iets te vertellen dus waarom zou ik dat wegstrepen. De term ‘geweldsporno’ is pijnlijk, niet voor mij als schrijver, maar voor de mensen die in een instelling zitten. Hun handelen wordt op die manier te hard weggezet. Voor geweldsporno in de literatuur moet je bij Bret Easton Ellis of Markies de Sade zijn, niet bij mij. Normaal zou ik gaan twijfelen bij zo’n recensie, maar nu niet. Mijn zelfkritiek is voldoende ontwikkeld om te weten dat ik blij mag zijn met dit boek.

„De term is ook pijnlijk voor de werkelijkheid. Hier is een recensent aan het woord die met zijn kop onder de dekens kruipt om het allemaal niet te hoeven zien en noemt het dan effectbejag. Man, je zou eens moeten weten, denk ik dan. Ik heb nota bene de moord op het jongetje niet beschreven, terwijl hij gruwelijker is vermoord dan zijn zusje. Ik schrijf alleen dat hij een mes in zijn rug krijgt. Hoe het het baby’tje is vergaan toon ik wel, omdat die moord tamelijk steriel is: je legt een baby neer en gaat er op zitten. Uit de officiële stukken blijkt dat het ventje een lange doodstrijd had, maar ik heb dat niet opgeschreven. Ik zie de geweldsporno dus echt niet, het spijt me. Het jongetje heeft vanwege de pijn zo hard in zijn moeder geknepen dat ze achteraf klaagde dat ze onder de blauwe plekken zat. Dát is geweldsporno, toch? En dat beschrijf ik niet.”

Het is een roman, dan is het toch begrijpelijk dat het verhaal niet op de realiteit wordt beoordeeld maar als fictie, toch?

„Het mogen fictieve personages zijn wat mij betreft, ik heb ze ook zo neergezet. Op het boek staat niet: gebaseerd op waar gebeurde feiten. Maar waar het mij om gaat is dat de lezer nog altijd niet de bereidheid heeft om te denken dat dit deel uitmaakt van de wereld waarin wij leven. Ik denk dat de lezer nog altijd geen beeld heeft van wat er kan gebeuren, veel kan men zich nog niet voorstellen. Dat is een schoentje dat knelt. Je voelt grote onwetendheid.”

Waarom was u gefascineerd door de daad van deze twee ouders?

„De moeder zat in dezelfde tijd als ik op het dorpsschooltje. Ze is één jaar ouder dan ik, we zijn naar dezelfde kleuterklas gegaan en we zijn beiden – zonder het van elkaar te weten – uit ons dorp weggeplukt door een jeugdrechter. We zijn simultaan een parcours van instellingen en pleeggezinnen afgegaan. We hebben dus exact dezelfde achtergrond, afkomst en geografie. Maar ik sta in de krant omdat ik een boek heb geschreven en zij omdat ze haar kinderen heeft vermoord. Ik vind dat frappant, daar stel ik me vragen bij.”

Komt die vraag voort uit schuldgevoel?

„Nee, helemaal niet. Schuldig is een katholieke term, ik heb weinig last van schuld. Ik ben wel nieuwsgierig naar hoe het komt, en ik denk dat het een vraag is die wij ons als maatschappij kunnen stellen. Als we het antwoord weten kan dat ons helpen. In mijn roman zijn twee toekomsten weggenomen: die van de instellingskinderen, die we op de verkeerde rails hebben gezet, te weinig opvoeding hebben gegeven en te weinig mogelijkheden hebben gegeven om zich te kunnen ontplooien. En die van de instellingskinderen, die zijn vermoord. Vragen die de maatschappij zich moet stellen zijn: waarom loopt het bij de ene verkeerd af en bij de ander niet?”

Heeft u antwoorden gevonden?

„Nee, maar wat opvallend was in die zaak van die ouders was wat de advocaat zei dat instellingskinderen per definitie argwanend en achterdochtig zijn. Dan ga ik steigeren, zo’n man brengt dat als een wet en denkt dus: dit was hun jeugd en daarom ga je automatisch verschrikkelijke dingen doen, zoals je eigen kinderen vermoorden. Daar weiger ik me bij neer te leggen.”

Waarom ging het bij u niet verkeerd?

„Ik ben een beetje een bofkont omdat ik tamelijk laat in zo’n instelling ben geplaatst, en dat is een groot verschil met die moordende instellingskinderen. Ik was zestien, ik had een parcours van pleeggezinnen afgelegd, al was dat mislukt. Ik gebruik het woord mislukt trouwens niet graag, omdat zo’n pleeggezin me wel toonde wat een gezond gezin kan zijn: waar geen alcoholmisbruik is, waar een man zijn vrouw niet slaat en waar beiden uit werken gaan, en samen aan tafel zitten. Dat was tussen mijn 13de en 16de. Na De Helaasheid der dingen over mijn jeugd vóór de pleeggezinnen, gaat Kaddisj voor een kut dus over mijn leven in die instellingen, tenminste als je een deel van mijn leven in boektitels wilt omzetten.

„Een ander verschil is intelligentie, het hebben van de juiste vrienden en een liefde voor wie ik mijn tanden wilde poetsen en goede resultaten op school wilde halen. Ik zeg niet dat ik intelligent ben, zeker niet, maar ik kon op z’n minst een humaniora-diploma halen. Dat plaatst je toch al ergens in de maatschappij.”

Heeft u door dit boek te schrijven sympathie voor het handelen van de twee gekregen?

„Geen sympathie, wel begrip. Ik snap enkele denkkronkels wel, zoals dat het bon ton is kinderen te maken, maar niet om ze kapot te maken. Je zou voor de mogelijkheid tot kapotmaken kunnen pleiten als je het zou vertalen naar een wiskundige formule die losstaat van emoties, maar menselijk gezien is dat helemaal fout. Ik ben er ook als de dood voor om een slechte jeugd of achtergrond als verzachtende omstandigheid aan te voeren. Natuurlijk komt gedrag ergens vandaan – het heeft een reden, maar als excuus ben ik daar nooit tevreden mee. Als ik iemand vermoord, wil ik gewoon gezien worden als een moordenaar en niet als iemand die het slachtoffer is van een drinkende vader. Dat heeft ook met trots te maken.

„Ik heb mijn jeugd overwonnen door een zelfstandig denkend mens te zijn. Dat gebeurde toen ik dertien was, voordat ik naar een pleeggezin ging. Ik besloot op een avond niet meer te bidden, dat was de moeilijkste nacht van mijn leven. Daarvóór was ik heel gelovig, ik had m’n communie gedaan, maar het geloof viel weg. God was zijn geloof in mij allang kwijtgeraakt, dat had ik op mijn dertiende wel door. Het was een immense bevrijding.”

Heeft u ook de affaire Dutroux in de roman willen verwerken?

„Nee, ik heb er nooit bij stil gestaan, de overeenkomsten zijn heel toevallig. Michelle Martin is, anders dan de moordende moeder in mijn boek, dat klooster ingegaan als overgangsfase om te integreren in de maatschappij, niet daarvóór. Ze kon terecht in een kerk die al een mooie geschiedenis van pedofilie achter de rug heeft. De woede van de bevolking vind ik begrijpelijk. Dat je uitgerekend de misdadiger van een pedofilieschandaal onderdak gaat geven, is zo’n wansmakelijke timing.”

En de weerstand die Kristien Hemmerechts opriep met haar roman over Michelle Martin, de vrouw van Dutroux?

„Hemmerechts heeft gezegd: ze is een mens. We maken er ons als maatschappij te makkelijk vanaf wanneer je zegt dat ze een duivel is. Je moet beseffen dat er stappen in de maatschappij zijn die hebben geholpen bij de creatie van dat soort mensen. Dat ontslaat Dutroux en zijn vrouw nog niet van de verantwoordelijkheid die ze hebben voor hun daden.”

En dan ben je weer terug bij de verantwoordelijkheden van de instellingskinderen.

„Ik vind het belangrijk bij dit boek om de werkelijkheid een beetje sereen en integer naar voren te brengen en dan moet ik ook de plicht op mijn schouders nemen om dat met een gevoel van eerlijkheid te doen. Omdat er weinig geschreven is over instellingen en de periode erna en al helemaal zelden door mensen die erin gezeten hebben, moet ik dat nog meer doen. Dat is ook de reden geweest dat ik indertijd De helaasheid der dingen schreef: ik zag een kind op een biljarttafel in een café liggen slapen. Dat overkwam mij in de jaren zeventig ook. Ik was woedend dat dat nog steeds gebeurt: om drie uur ’s nachts een kind op een biljarttafel leggen omdat vader in een kroeg wil zitten. Als iemand daarover kan schrijven dan ben ik dat. Dat heeft te maken met een maatschappelijke relevantie die ik mezelf opleg, ik weet waarover ik het heb. Die instellingen bestaan nog steeds, die kinderen worden volwassen en gaan dingen doen waardoor ze in onze kranten komen. Er verschijnen opiniestukken van mensen die niet weten wat er in zo’n instelling gebeurt, die zich vragen stellen hoe kan dat toch? Dan denk ik: goed, laat ik het maar vertellen. In Kaddisj voor een kut heb ik dat te subtiel gedaan. Het boek is gezien als twee novelles, terwijl de personages uit het tweede deel al in het eerste deel zijdelings voorkomen. In het tweede deel herhaal ik alleen een locatie, maar heb ik bewust niet met herhaling gewerkt, omdat ik de anonimiteit van die instellingskinderen wilde benadrukken. Niet omdat ze anoniem zijn, maar omdat wij onze ogen sluiten voor hen.”