Een onderzoekende schuifelaar, overspoeld door de eindigheid

De ‘Vermeer van de Vijftigers’ wist taal zo te vertragen dat lezen overgaat in ervaren, in gevoelige koelte. Gisteren overleed hij.

1954, ‘De Vijftigers’, v.l.n.r. Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek, Jan Elburg en Lucebert Foto Paul Huf/MAi/HH

Een paar dagen geleden kwam ik het toevallig tegen, en toen las ik het weer, het lange gedicht van de gisteren overleden Gerrit Kouwenaar over de lege volière in Artis. En weer voelde ik me, zoals wel vaker bij hem, even wonderlijk verplaatst in de tijd, of zelfs even buiten de tijd – hoe zal ik het zeggen. Het is het gedicht waarin de dichter in de dierentuin peinzend voor een kooi belandt. Ooit zaten er exotische vogels in, zo herinnert hij zich, maar nu niet meer. De kooi staat leeg. Dan volgt er een witregel en begint de dichter te lopen, door de tuin – en zo ook door zijn verleden. Het is winter en het sneeuwt, maar lopend door de sneeuw komen er herinneringen boven aan zomerse dagen, als kind, lopend ‘aan de hand van een alwetende vader’ langs hokken die toen nog wel gevuld waren. Vader leerde zijn zoon de namen en hij leerde hem ook meteen lezen, in alfabetische volgorde: ‘de ara de beo de condor’. Gelukkige herinnering. Bij het terugdenken ‘proeft men ranja, geen tranen’.

Maar er komt al gauw ook een andere herinnering boven. Dan is het geen zonnige zomerdag meer, in een paradijselijke jeugd, maar nacht, en oorlog, en angst: ‘hoort men des nachts in een bezette kamer/ het stampen en snuiven van hongerige beesten/ dwarsdoor de stilte van ontvolkte huizen’. Het roept een heleboel tegelijk op: bezetting, transport in veewagons, hongerwinter, leeggehaalde huizen, het wegvoeren van de Joden. Het speelde zich allemaal af in de buurt van Artis. Er zaten in de oorlog zelfs onderduikers in de dierentuin, in de vogelhuizen onder andere. Ze aten mee als de dieren gevoederd werden. Nu staat die kooi leeg. Nu is het geen oorlog meer, en is er eten genoeg, maar door dat opgerakelde verleden krijgt alles een wrange bijsmaak. Bij gebrek aan exotische vogels in de kooi gaat hij dan maar de inheemse duiven voeren, de traditionele symbolen van de vrede. ‘Men kauwt/ het woord oase, voert de duiven pinda’s// op honderd meter kankert de vrede’. Het sneeuwt nog steeds, langzaam sneeuwen de herinneringen weer onder. ‘Het is heden’, zo besluit hij. Het is beter zo, maar het klinkt niet echt bevrijd.

Paden

Zoals ik het nu navertel, lijkt het misschien een doorlopend verhaal, maar zo is het niet. Kouwenaar schreef nooit doorlopende verhalen. Zijn gedichten zijn niet goed in één ruk van voor naar achter te lezen. Alle formuleringen zijn net even anders dan normaal. Soms raar, soms formeel, soms ouderwets, en daardoor soms ook wel grappig. Kouwenaar zegt niet ‘ik volg de overgebleven paden’, maar ‘volgend de overlevende paden’. Niet ‘ik spelde’, maar ‘spelt men’. Niet ‘ik peins over wat een woord als oase nu nog betekent’, maar ‘men kauwt het woord oase’. De stijl dwingt tot kauwend lezen, regel voor regel, woord voor woord, en tot het langzaam laten doordringen van de verschillende betekenissen. Daardoor worden wij, lezers, zelf ook onderzoekende schuifelaars, langzaam lopend door deze dierentuin van taal, van hok naar hok, van regel naar regel, van woord naar woord.

De voortgang wordt hier zo vertraagd dat lezen overgaat in ervaren. Ik weet niet of ik dat kan bewijzen, en ik weet ook niet of iedereen er even gevoelig voor is – maar in zo’n gedicht lijkt de tijd dan even stilgezet. Dat is waar het Kouwenaar uiteindelijk om te doen was: om afstand of uitstel of om ‘uitstel van afstel’ om ‘papdikke zwijgtaal’, in de hoop de tijd even op zijn staart te trappen.

Toen Elisabeth Lockhorn hem in 2001 vroeg wat het belangrijkste was waar hij als dichter in de loop der jaren achter was gekomen, antwoordde hij: „Dat je met zoiets vluchtigs als woordjes, met taal, in staat bent om even de tijd stil te zetten, iets dat menselijkerwijs onmogelijk is. Iedereen gaat dood, ook de beste dichter. Je schreef gisteren wat, je schrijft vandaag wat, je schrijft morgen wat en overmorgen verschijnt daar het oeuvre van een man die door de tijd is ingehaald. Maar als het goed is, beklijft er iets, heeft die dooie man een paar woorden achter elkaar gezet die duurzamer zijn dan alle stof.”

Bij zo’n dichterlijk streven kan iedereen zich wel iets voorstellen. Het klinkt veel begrijpelijker en ook veel traditioneler dan de slogans waarmee Kouwenaar meestal verbonden wordt, en waarmee hij in de schoolboekjes en de naslagwerken is beland. Dan gaat het om een gedicht als ‘ding’, om ‘autonomie’ of om ‘het gedicht dat niet naar een bestaande werkelijkheid verwijst, maar zelf zijn eigen werkelijkheid vormt’. Het waren de slogans waarmee de Beweging van Vijftig opkwam. Het was de tijd waarin veel jonge dichters, geschonden uit de oorlog gekomen, maar één ding wilden: een grote schoonmaak. Een nieuwe taal, een nieuwe manier om de werkelijkheid te beleven, een nieuwe poëzie. Geen brave verwoording van vooraf bedachte gevoelens en gedachten, maar een onbevangen overgave aan het ‘proces’ van het dichten, aan het ‘experiment’ – met ongewisse uitkomst. Het werd een echte beweging, en Kouwenaar werd een echte woordvoerder, bijvoorbeeld met zijn artikel ‘Maar wat willen die experimentele jongens dan?’ (1949) en met zijn inleiding bij de bloemlezing Vijf 5tigers (1954).

Daar zag het aanvankelijk niet naar uit. In 1941 schreef hij nog een heel traditioneel bundeltje verzen bij elkaar: Vroege voorjaarsdag, in eigen beheer uitgegeven, met kwezelige regels als ‘Stil mijne ziele, zwijg nu stil:/ zo vele dingen zijn er om te wenen:/ de dode duiven in de duiventil,/ de tere bloesem, rottend op de stenen…’ Maar toen kwam de oorlog, verzetswerk, hij zat een half jaar in de gevangenis, vanwege zijn medewerking aan het illegale tijdschrift Lichting. Daarna probeerde hij het eerst met novellen, (Uren en cigaretten, 1946), en met romans (Negentien-nu, 1950, Ik was geen soldaat, 1951), en met zeevaardersboeken onder het pseudoniem Jan Helder, en met allerlei journalistiek werk, voor De waarheid en Vrij Nederland.

Zijn debuut als ‘experimenteel’ dichter verscheen pas in 1953: de bundel Achter de woorden. Daarin vinden we regels als ‘ik vuur de geweldige teelbal/ ik rook de stad aromatisch/ de shagtabak van mijn haren/ de koningsbloem van mijn duif’. Maar in dat debuut treffen we ook al meteen typische Kouwenaar-regels aan (‘men zegt men is groot geworden’) en ook vinden we al meteen een realistisch gedicht over zijn geboortedag.

Dit debuut maakte meteen duidelijk dat Kouwenaar binnen de groep van wild associërende, postexpressionistische en postdadaïstische Vijftigers de meer koude, strenge, theoretische richting zou gaan vertegenwoordigen. Als Lucebert de Van Gogh of Rembrandt van de Vijftigers was, dan was Kouwenaar de Vermeer of de Mondriaan. Net als de meeste andere Vijftigers begon Kouwenaar in de loop van de jaren vijftig en zestig een eigen weg te volgen. Bij hem werd dat ook een eigen idioom, met eigen stopwoorden, een eigen droge toon, en een eigen typografie: geen hoofdletters, behalve aan het begin van de eerste regel, en altijd een gedachtestreep aan het eind van de laatste regel.

Slaperig

Geleidelijk ontwikkelde hij ook een eigen opvatting over poëzie. Simpel gezegd kwam het er op neer dat hij van tevoren niet echt wist waar hij naar toe wilde, en dat hij zich wilde overleveren aan wat er bij het schrijven zelf zou gaan gebeuren. „Op de een of andere manier moet je de taal zo buigen en uit elkaar trekken en weer in elkaar duwen dat zij als materiaal bruikbaar wordt”, zei hij in 1993 in een interview. En dan? Dan gaat het vanzelf. Gekscherend: „Uiteindelijk moet de taal het doen, en daar zit ik dan een beetje slaperig bij.”

Met deze ‘autonome’ opvatting werd hij in de jaren zestig en zeventig een voorbeeld voor veel jonge dichters als Hans Faverey en H.C. ten Berge. Later, in de jaren tachtig en negentig, kwamen daar ook jongere dichters bij, zoals Esther Jansma en Anna Enquist. In de loop der jaren is men in brede kring anders gaan denken over Kouwenaar. Men raakte gewend aan zijn manier van dichten. Men was daarnaast gaan inzien dat er onder de koele, afstandelijke en experimentele buitenkant wel degelijk een verhaal en veel gevoel schuilging. Kouwenaar was zelf in de loop der jaren steeds meer gevoel gaan toelaten in zijn poëzie. Zijn benadering werd wat minder rigide, zijn dictie wat soepeler en zijn taal wat toegankelijker.

Voor mijn gevoel is die verandering ingezet met de bundel Het blindst van de vlek, in 1982. Daarna is de status van Kouwenaar als een dichter voor alle partijen geleidelijk gegroeid, met de bundels Het ogenblik: terwijl (1987), Een geur van verbrande veren (1991), De tijd staat open (1996) en Totaal witte kamer (2002). Er kwam steeds meer wetenschappelijke belangstelling voor zijn werk, in de vorm van artikelen, van A.L. Sötemann onder anderen, een bewonderaar. En proefschriften, door Wiel Kusters en Gaston Franssen. Kees Fens, ook een bewonderaar, schreef veel en vaak over hem. Na de P.C. Hooftprijs (in 1971) kreeg hij in 1989 de Prijs der Nederlandse Letteren, en in 1997 de VSB-poëzieprijs voor De tijd staat open. Van zijn bundel Totaal witte kamer verschenen maar liefst zeven drukken. Voor de gedichtendag van 2005 schreef hij Het bezit van een ruïne, ook in een grote oplage.

Zo was Kouwenaar dan langzaam van een autonome theoreticus in de marge een dichter voor het grote publiek geworden. Zelf vond hij ook dat hij veranderd was. In een interview met Ad Fransen, in 1996: „De kille kant is overspoeld door het sentiment van de eindigheid. Het inhoudelijke heeft het gewonnen van het poëticale. Ik hanteer de taal weer waarvoor hij gemaakt is: het eenvoudige benoemen.” Met die eenvoudig benoemende taal schreef hij zijn mooiste gedichten. Daarmee riep hij de lege volière in Artis op, en de gruwel van de deportaties, maar ook het paradijs van zijn jeugd, de vakanties in huize De Kouw in Bergen aan Zee. Daarmee bezong hij het jaarlijkse ritueel van het terugkeren naar en weer vertrekken uit het paradijs van het tweede huis in Zuid-Frankrijk, en alle melancholie die daarmee gepaard ging. En daarmee bracht hij het verdriet om de dood van zijn vrouw Paula onder woorden.

In dat latere werk treft steeds een waardige, gedragen, meditatieve toon. Soms dacht ik: het lijkt wel mystiek – om het zo aandachtig stilstaan bij zeldzame momenten van plotselinge helderheid. Maar ook: het lijkt J.C. Bloem wel – om het lijden aan de onachterhaalbaarheid van de tijd. Of, nog beter: Nescio – om de melancholie van de nazomer, het willen verwijlen bij de laatste mooie dagen, als het licht in de boomgaard onder de bomen blijft hangen – en dan de tijd willen stopzetten. ‘Men moet zich hier uitschrijven, de tuin/ in de tuin insluiten, het geopende boek/ het einde besparen, men moet zich verzwijgen’. Het klinkt al bijna wanhopig. Maar nog vaker dacht ik: het lijkt de stem van de Prediker wel. Om de herhaling, de bijbelse bezwerende formule, de vergeefse toon, het vreemde mengsel van oude waarheid en eigenzinnige woordkeus, steeds opvallender in zijn laatste werk aanwezig. Zoals in ‘Men moet’, dat een van zijn bekendere gedichten is geworden:

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis

nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker

de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters

een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen

zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

met moet nog een kuil graven voor een vlinder

het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –