De tijd lijkt zo helder, maar is ongrijpbaar als je erover spreekt

De tijd is geen lijn statische nu-momenten maar een stroom van verandering, aldus Henri Bergson, de Fransman die hot is in de Angelsaksische wereld.

Henri Bergson

Niet veel filosofen kunnen zich erop beroepen met hun optreden een verkeersopstopping te hebben veroorzaakt. Henri Bergson (1859-1941) zou volgens de overlevering bij zijn bezoek aan New York zelfs de eerste geweest zijn die het verkeer in die stad zo grondig in het honderd liet lopen. Kort na de eeuwwisseling was zijn faam immens, vooral nadat William James in de VS zijn denkbeelden enthousiast had onthaald. Met honderdduizenden gingen de boeken over de toonbank waarin Bergson zijn lezers op een nieuwe manier liet kijken naar de tijd.

Veel had Bergson daar niet voor nodig. Strikt genomen kon hij ermee volstaan op te merken dat de tijd duurt. Zo vanzelfsprekend als dat klinkt, zo verstrekkend zijn de filosofische consequenties daarvan. Want normaal gesproken laten we de tijd helemaal niet duren, aldus Bergson. We zien haar als een reeks punten op een lijn die stuk voor stuk statisch zijn. Wanneer we ons de tijd voorstellen, kiezen we daarvoor automatisch een ruimtelijk beeld. En in dat beeld duurt of verandert niks. Het is alsof we vanuit een tijdloze eeuwigheid kijken naar een tijdslijn waarop alle momenten tegelijkertijd werkelijkheid zijn.

Wie zich probeert voor te stellen wat Bergson wil zeggen, begint het al snel te duizelen. De tijd is in de filosofie nu eenmaal een berucht onderwerp. Zo helder als ze lijkt, zo ongrijpbaar wordt ze zodra ik erover moet spreken, schreef Augustinus al rond 400. Bergson is dan ook vaak misverstaan, weggezet als irrationalist of ‘dichter-filosoof’, en raakte tenslotte in de vergetelheid. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij op hoge leeftijd overleed aan een longontsteking, opgelopen in de wachtrij voor een jodenverklaring, werd hij nauwelijks nog gelezen.

Daar begint sinds een jaar of tien verandering in te komen. Opmerkelijk genoeg is Bergson vooral in de Angelsaksische wereld opnieuw hot. Ook in Nederland wordt zijn werk opnieuw bestudeerd. In korte tijd verschenen er twee boeken van en één over hem: een zeer leesbare, zij het soms wat persoonlijk getoonzette presentatie van Hein van Dongen; een mooi uitgegeven, maar door zetfouten geplaagde bundeling van drie inleidende teksten van Bergson zelf; en een vertaling van het proefschrift waarin hij in 1889 de uitgangspunten van zijn denken formuleerde.

Louter materie

De aanleiding van die hernieuwde populariteit is dezelfde als die van een eeuw geleden. De negentiende eeuw had geleerd de werkelijkheid terug te brengen tot louter materie, die geleid werd door wetten van strikte oorzakelijkheid. Hoe je daarin nog de menselijke wilsvrijheid kon terugvinden werd steeds meer een open vraag.

Bergson leek daarop een antwoord te geven – toen net zo goed als nu. Want dankzij het voortschrijden van de neurowetenschap is het vraagstuk van de vrije wil opnieuw actueel geworden. Niet voor niets is de Nederlandse vertaling van Bergsons proefschrift, De onmiddellijke gegevenheden van het bewustzijn, vertaald onder de titel waarmee het in het Engels verscheen: Tijd en vrije wil.

Wie naar het verleden kijkt, kan de werkelijkheid niet anders zien dan als een lijn van onderling causaal verbonden punten, zo stelt Bergson daarin vast. Maar in de tijd van het heden waarin ik me beweeg is dat anders. Daarin ligt de toekomst nog open. De wilsvrijheid waarin ik kan kiezen voor de ene of de andere beslissing is een hard ervaringsgegeven. Daarin raken wij aan de eigenlijke werkelijkheid van de tijd, die hij duur noemt: geen lijn van statische nu-momenten maar een voortgaande stroom van verandering.

Je kunt het ook anders zeggen. Achteraf verschijnt het verleden als iets afgeslotens, waarin ik wel móest doen wat ik deed omdat ik het gedaan héb. Maar hoe gedetermineerd ik daarin ook lijk te zijn, nú weet ik nog altijd niet wat ik over vijf minuten zal doen. Meestal zal dat tamelijk voorspelbaar zijn, maar op ware beslissingsmomenten doorbreek ik die vanzelfsprekendheid. Dat zijn de ogenblikken waarop ik me bewust word van de ‘duur’.

Causaliteitsdenken

In Tijd en vrije wil beperkt Bergson zich tot de wereld van de innerlijke ervaring. In latere werken zal hij die duur ook in de materiële wereld zelf een rol zien spelen. Dat leidt tenslotte tot het boek dat hem internationaal beroemd maakt: De scheppende evolutie uit 1907. Komt er in de evolutie werkelijk iets nieuws tot stand, zo vraagt Bergson zich daarin af. Of is de geschiedenis slechts een langzame ontvouwing van wat in het aanvangsmoment al besloten lag, zoals het strikte causaliteitsdenken zou impliceren. Anders gezegd: hoe verbind je de ijzeren wetmatigheid van het materialisme met het idee van toeval dat in de evolutieleer zo’n belangrijke rol speelt?

Dat Bergson op die vragen afdoende antwoorden klaar heeft, zou hij zelf hebben ontkend. Als alles in de wereld is opgenomen in een doorgaande, creatieve stroom, dan geldt dat ook voor het denken. Veel van wat hij, in uitdrukkelijke samenspraak met de wetenschap, beweerde is intussen door diezelfde wetenschap achterhaald. Maar de vragen die hij opwierp zijn dat niet. En als filosofie érgens in bestaat, aldus Bergson zelf, dan is het in de stellen van goede, dus ongemakkelijke vragen.