De mens is wat hij er zelf van maakt (Valt je iets op aan deze kop?)

Het Nederlands is een achterlijke taal, vindt Francisca Wals. Waarom domineren de woorden ‘hij’ en ‘hem’ in het dagelijkse spraakgebruik? Tijd voor een feminiene taalstrijd!

Illustratie Robin Héman

Iemand nog wat te drinken?’ De vraag prijkt boven het omslagverhaal van De Groene van eind juli. Daarin beschrijft Marja Pruis het ‘inner hostess-syndroom’, de neiging van vrouwen hun kop te houden en hun omgeving te pleasen. Ook aan tafel bij Jeroen Pauw zullen het vooral mannen zijn die vertellen hoe de wereld in elkaar steekt, volgens Pauw zelf dan in het inmiddels beruchte AD-interview. Vanaf dat moment had iedereen het opeens over de positie van vrouwen. Ook nrc.next deed mee: ‘Nederland is helemaal niet zo geëmancipeerd als we denken’, schreef Renate van der Zee afgelopen weekend in deze krant. Geïntimideerd op straat en verzand in de anderhalf- verdieners-cultuur, dát is de vrouw in Nederland.

Allemaal Heel Erg Waar, als we de cijfers moeten geloven. En tuurlijk, er zijn van die contreien waar vrouwen systematisch het onderspit delven, wat ze op individueel niveau ook doen. Toch is er één zo’n brok antifeministische werkelijkheid dat we standaard over het hoofd zien. Dat is de taal. ‘Ook een ambtenaar heeft het recht te zeggen waar hij voor staat’, stond vorige week in de krant. ‘De Nederlander heeft het gevoel dief te zijn van zijn eigen portemonnee.’ En: ‘De mens is wat hij er zelf van maakt.’

Geen haan die ernaar kraait

Valt je iets op? Waarschijnlijk niet, want ik heb het hier over zulke ingebakken praktijken dat geen haan ernaar kraait. Ambtenaren, Nederlanders en mensen – standaard wordt naar deze woorden met ‘hij’, ‘zijn’ en ‘hem’ verwezen. Best een beetje vreemd, gezien het feit dat de helft van de populatie die onder die noemers valt van het vrouwelijke geslacht is.

Nog zoiets. ‘Chodakovski en zijn vrouw Tatjana’ waren het onderwerp van een artikel over de Oost-Oekraïense misère. ‘Frederik Blunt en zijn vrouw Marian’ mochten op de pagina vertellen over hun fruitteeltbedrijf. Mannen worden in kranten, talkshows en voxpops bijna standaard met hun achternaam genoemd. Vrouwen heten bij hun voornaam, zijn bovendien ‘vrouw van’. En als een wetenschapper/ filosoof/schrijver een vrouw is, dient dat apart te worden vermeld. Zonder die kwalificatie gaat men blind uit van een man.

‘Verwarrend’, ‘Wat bedoel je?’ of ‘Doe maar hij’ is vaak het commentaar dat ik krijg na het inleveren van een studiepaper, essay, of krantenverhaal waarin ik vrouwelijk verwijs. Best begrijpelijk. ‘De mannelijke verwijzing heeft in Nederland de voorkeur’, meldt de website van genootschap Onze Taal. En taal is nou eenmaal een conventie, een onderlinge ‘afspraak’ over wat begrijpelijk is – dus als iedereen standaard met ‘hij’ verwijst, vormt alles wat afwijkt verwarrende ruis.

Toch heeft binnen het clubje geëmancipeerde westerse landen vooral Nederland last van deze talige tirannie van de meerderheid. In Frankrijk woedt een hevige strijd over mannelijke en vrouwelijke aanspreekvormen en beroepsaanduidingen. In Duitsland heeft een universiteit het vrouwelijke Studentin en Professorin als standaard ingevoerd. In Amerikaanse collegeboeken zijn alle CEO’s een her en de Zweedse taal is sinds vorige maand officieel aangevuld met een onzijdig persoonlijk voornaamwoord: het.

Ik ben een vrouw

Niet zeiken, is vaak het devies in Nederland. Iedereen mag toch stemmen? Nou, wat had je dan… Maar ook na twee feministische golven is ons alledaags taalgebruik nog altijd een subtiele uiting van de ondergeschikte rol van vrouwen in deze wereld. ‘Als ik mezelf wil beschrijven, moet ik al beginnen met te zeggen: Ik ben een vrouw, constateerde Simone de Beauvoir in 1949 in haar feministische manifest De tweede sekse. ‘Een man begint nooit met zich te poneren als een individu van een bepaald geslacht; het spreekt vanzelf dat hij man is. Zozeer zelfs dat het begrip man ook wordt gebruikt om menselijke wezens aan te duiden in het algemeen.’

Sinds 1949 zijn we wat dit betreft geen bal opgeschoten, want ook in onze tijd is het masculiene in de taal nog altijd de norm. Het feminiene vormt de uitzondering, het aanhangsel bij de man bovendien. En zo doet het talige equivalent van de Nederlandse vrouw me denken aan Eva, de vrouwelijke mens, geschapen uit de rib van Adam. Kennelijk is de emancipatie in ons taalgebruik ergens bij de Schepping blijven steken.

Met iedere oprisping van het feminisme roept iedereen van alles over de vrouw. Maar in De tweede sekse schreef Simone de Beauvoir al ongeveer alles op wat er over het onderwerp vrouw-in-samenleving zou kunnen worden gezegd. Sinds de oertijd is ze beperkt door haar biologische taak, heel naar, vond zij ook. Het baren heeft háár beteugeld, het jagen heeft hém verheven. Hormonen en andere stofjes hebben hier niets mee te maken, aldus De Beauvoir: ‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt als vrouw gemaakt.’

Maar, schreef ze, vrouwen zijn echt niet alleen het slachtoffer van mannen – dat zijn ze ook van zichzelf. Vrouwen zullen zich óók eigenhandig los moeten worstelen uit hun gedomesticeerde bestaan, hun vrijheid en verantwoordelijkheid aanvaarden, zich niet laten kisten door plafonds van welk materiaal dan ook. Hard je best doen dus, om als vrouw uit wat Marja Pruis in De Groene de ‘slippery slope of silencings’ noemt omhoog te kruipen. Of, zoals Facebook-chief operating officer Sheryl Sandberg het in de titel van haar powerfeministische bestseller verwoordde: lean in.

„Waarom zeg je niet wat meer?”, vroeg een docent me na een werkgroep wetenschapsfilosofie in mijn tweede jaar. De gemiddelde werkgroep tot dan toe verliep ongeveer zo: docent doet haar zegje, verplicht discussie-uurtje, de mannelijke studenten steken van wal en de vrouwelijke – incluis ik – zwijgen in alle talen. „Je essays zijn goed, je beheerst de stof.” Maar wie was ik om…Ik zou toch zeker niet… Die jongens wisten…

„Onzin”, zei ze. „De meesten zeggen maar wat. Zij trekken gewoon hun bek open.”

Een grote stap voor mij

Zo had ik het nog niet bekeken. Toen en daar besloot ik elke werkgroep minstens vijf minuten spreektijd te claimen. Een kleine stap voor de mensheid, een grote stap voor mij.

Op eigen kracht emanciperen: sure, ik doe mee.

A la De Beauvoir hard knokken, je stembanden trainen, en weg met die standaard 0.4-fte-baan.

Maar de taal veranderen, dat lukt me niet alleen. Hoog tijd dus dat we ook in Nederland collectief de feministische taalstrijd aangaan, en stoppen met de achternamendiscriminatie en het klakkeloos neerpennen van ‘hij’, ‘zijn’ en ‘hem’.

‘De student is zelf verantwoordelijk voor zijn tentameninschrijving.’ Ik las het op een briefje, tegen de glazen deuren geplakt van de onderwijsbalie economie. ‘/ haar’ had iemand er met dikke markeerstift onder geschreven. Het is een bescheiden begin.