De kalief had ooit een soort Melkertbaan

Al eeuwen speelt het kalifaat geen rol meer in de islamitische wereld. Het fenomeen maakt niettemin nu een comeback mee. Wat was én is het precies en waartoe voelt menig moslim zich ertoe aangetrokken?

Recente, maar ongedateerde foto van een IS-strijder in een op de Syrië buitgemaakt vliegtuig in Raqqa, Syrië AP/Raqqa Media Center IS

Kort na de verovering van de Iraakse stad Mosul, in juni dit jaar, riep IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi zich uit tot kalief en verklaarde hij dat de ‘islamitische staat’ een feit was. Dat was een reclamestunt van jewelste. De recente militaire successen werden gekoppeld aan de belofte een islamitische orde te scheppen die westerse liberale idealen als democratie, mensenrechten en geloofsvrijheid verwierp.

Maar wat is dat kalifaat, en waarom spreekt het veel moslims aan? De Britse politicoloog Reza Pankhurst doet in The inevitable caliphate? een dappere, uitvoerig gedocumenteerde poging om die vraag te beantwoorden. Zijn boek traceert waarom het idee van het kalifaat bij westerlingen paniekreacties oproept, en warme gevoelens bij moslims, ook als die niets met al-Baghdadi te maken willen hebben.

In theorie is de kalief de religieuze en politieke leider van de umma, de gemeenschap van alle moslims. Maar de praktijk is altijd ingewikkelder geweest. De sjiieten bijvoorbeeld wezen van meet af aan het idee van een door mensen gekozen kalief af. Er is ook geen ondubbelzinnige theologische basis voor het kalifaat: in de Koran staat slechts dat de mens Gods ‘kalief’ of plaatsvervanger op aarde is, en daar kun je alle kanten mee op.

Ulamaa

Het idee dat de kalief de enige rechtmatige opvolger van de profeet zou zijn is pas ontstaan na de openbaring van Allah aan Mohammed in de 7de eeuw en is in latere eeuwen uitgewerkt door de klassieke islamitische schriftgeleerden of ulamaa. In dezelfde periode vestigden zich ook de grote klassieke moslimdynastieën van Omayyaden in Syrië en Abbasieden in Irak. De heersers daar noemden zich kaliefen; maar toen hun rijken uiteenvielen, kwam de politieke macht in handen van lokale krijgsheren of sultans en belandde het religieuze gezag bij professionele schriftgeleerden. Zo werd het kalifaat een soort Melkertbaan.

In 1258, bij de Mongoolse verovering van Bagdad, verdween het kalifaat zelfs helemaal. Toen werd de heersende Abbasidische kalief vermoord, met tienduizenden stadgenoten. Latere islamitische auteurs beschouwen het kalifaat als een heerschappijvorm die voorgoed verleden tijd is, en waarvoor ook geen theologische noodzaak bestaat. Zelfs Ibn Taymiyya, de grootste scherpslijper van de islamitische middeleeuwen, en de inspiratiebron van veel hedendaagse islamisten, aanvaardde het feitelijke verdwijnen van het kalifaat. Voor hem is de sharia, de geopenbaarde wet, een belangrijkere waarborg voor het voortbestaan en welzijn van de moslimgemeenschap.

Eeuwen later noemden de Ottomaanse sultans zich kalief, maar dat nam niemand erg serieus – tot de nieuwe Turkse leider Mustafa Kemal, de latere Atatürk, in 1924 het Ottomaanse kalifaat definitief afschafte.

Pankhurst betoogt dat de droom van het kalifaat, realistisch of niet, nog altijd springlevend is bij een meerderheid van de orthodoxe (lees: soennitische) moslims. Zodoende bestudeert hij het kalifaat niet als een vergankelijke politieke realiteit, maar als een inspirerend en duurzaam politiek symbool. Die aanpak is verfrissend.

Volgens Pankhurst moet je de hedendaagse islamitische auteurs niet langs een vermeend universele en neutrale meetlat van liberaal-seculiere waarden leggen, zoals doorgaans wordt gedaan, maar moet je proberen ze in hun eigen termen te begrijpen.

Pankhurst staat middenin het krachtenveld dat hij beschrijft. Hij was lid van de Hizb ut-Tahrir of ‘bevrijdingspartij’, een vreedzame transnationale beweging die de politieke eenwording van alle moslims onder een kalief predikt. Voor zijn activiteiten zat hij jaren vast in een Egyptische gevangenis.

Pankhursts verhaal concentreert zich op enkele belangrijke momenten: de afschaffing van het Ottomaanse kalifaat in 1924; de vroege Moslimbroederschap in Egypte onder Hasan al-Banna en Sayyid Qutb; de Werdegang van zijn eigen Hizb ut-Tahrir en Osama bin Laden en al-Qaeda.

Zijn gedetailleerde beschrijvingen leiden tot menige verrassing. Zo blijkt de invloedrijke Sayyid Qutb het kalifaat niet als een individuele baan te beschouwen, maar als een verantwoordelijkheid voor de mensheid als geheel, juist omdat hij dichter bij de Korantekst dan bij de consensus van de schriftgeleerden staat. Ook blijkt het kalifaat geen belangrijke rol te spelen in de gedachtewereld van Bin Laden.

Door zijn rijkdom aan hedendaagse islamitische bronnen is Pankhurst boek waardevol, ook als je het oneens bent met zijn analyses of conclusies. Zo neem je voor lief dat hij de consensus over de noodzaak van een kalifaat groter voorstelt dan ze historisch ooit was, en dat hij de (voor)moderne pogingen om islamitische eenheid te scheppen te veel als continuüm voorstelt. Er is echter een cruciaal verschil: hedendaagse moslims veronderstellen de moderne staat, die veel dieper ingrijpt in het dagelijks bestaan en privéleven van zijn onderdanen dan enig voormodern rijk ooit deed, als de vanzelfsprekende achtergrond van hun religieuze wensen en overtuigingen.

Ondubbelzinnig

Pankhurst is ondubbelzinnig over zijn eigen normatieve positie: hij beschouwt het kalifaat als een springlevend ideaal dat ook relevant, en realistisch, voor het heden is. Over wat hij niet wil is hij ook duidelijk. Enerzijds wijst hij liberale waarden af als hypocriet, zeker ten aanzien van moslims. Anderzijds neemt hij afstand van bewegingen als de Taliban en IS. In zijn optiek worden de waarde en relevantie van het ideaal van het kalifaat niet ondermijnd door dergelijke gewelddadige uitwassen. Zulke uitdagingen van westerse, liberale waarden worden steeds sterker, in de islamitische wereld,en ook in China en Rusland. Je kunt ze maar beter serieus nemen.