De affectie voor Kouwenaar kwam later

Na de dood van dichter Gerrit Kouwenaar (91) stroomden sociale media gisteren vol met zijn poëzie. In de jaren negentig kwam er meer oog voor het gevoel in zijn werk.

Gerrit Kouwenaar in 1989 Foto Hollandse Hoogte

Publiceren deed Gerrit Kouwenaar al jaren niet meer. „Als ik in een optimistische bui ben, schrijf ik wel”, vertelde de gisteren op 91-jarige leeftijd in Amsterdam gestorven dichter een jaar geleden. „Ik heb veel aanzetten. Maar als ik het dan teruglees, denk ik: ik heb het zelf geschreven, maar het lijkt wel een imitatie.”

Dat er niet veel meer voor hem in het verschiet lag, daarvan was Kouwenaar zich zeer bewust. Soms leek hij verbaasd dat zijn lichaam het nog niet had opgegeven. Hij scharrelde broos maar taai door zijn huis in Amsterdam-Zuid, dat hem te ruim zat sinds de dood van zijn vrouw Paula in 2000. Hij bood bezoek nog hartelijk een glas rode wijn aan – als er bezoek kwam. „Nu word ik negentig. Bij zo’n verjaardag besta je weer even, maar verder gebeurt er weinig op een dag”, zei hij. „Ik zou het niet erg vinden om dood te gaan, maar ik zou er ook niet voor uit het raam willen springen.”

Kouwenaar zei dat de dag voor zijn negentigste verjaardag, toen deze krant vier liefhebbers had gevraagd om hun favoriete Kouwenaargedicht. Hij beoordeelde hun keuzes scherp en kritisch: „Een ouwejongensgedicht”, zei hij. Of: „Dit is een recht-op-en-neer-gedicht. De bundel waar het uit komt is eigenlijk helemaal niet zo’n goede bundel.” Maar ook: „Dit vind ik nog steeds een goed gedicht, met die zweem van ironie, vervlochten met bittere ernst.”

De Vijftiger Kouwenaar geldt algemeen als een van de grootste Nederlandse dichters van de vorige eeuw – misschien was hij de allergrootste. Hij won alle grote literaire prijzen, maar het duurde lang voor de algemene bewondering voor zijn werk overging in affectie. Vanaf de jaren negentig kwam er meer oog voor het gevoel in zijn werk – terwijl Kouwenaars poëzie zelf ook explicieter en toegankelijker werd.

In de eerste uren na zijn dood gisteren bleek hoe algemeen de liefde voor zijn werk inmiddels was. De sociale media stroomden vol met Kouwenaarpoëzie en dichters van alle generaties betoonden hem eer. P.C. Hooftprijswinnaar H.C. Ten Berge (1938) was met Kouwenaar bevriend. „Hij stond, net als de andere Vijftigers, altijd open voor poëzie van jonge dichters. Van de Vijftigers ben ik hem eigenlijk het laatste gaan waarderen. Ik denk dat het oeuvre van Kouwenaar van dezelfde grootte is als dat van Lucebert.”

Maarten van der Graaff (1987), winnaar van de Buddingh’ prijs 2013 voor het beste poëziedebuut, had een vergelijkbare ervaring: „Lucebert sloot aan bij je gemoed, Kouwenaar ook, maar later. Ik heb in hem nooit de kille dichter gezien die hij ook wel werd genoemd. Ik vind hem een echte dichter, een klassieker die leefde.” Zijn collega Thomas Möhlmann (1975): „Samen met Lucebert en Hans Faverey is hij een dichter uit de 20e eeuw waar je niet aan kan ontkomen.”

Ilja Leonard Pfeijffer (1968), die straks het Poëziegeschenk 2015 schrijft, is het meest uitgesproken in zijn lof: „Gerrit Kouwenaar is zonder twijfel een van de allerbelangrijkste dichters van het Nederlandse taalgebied. Ik heb hem altijd een serieuzere kandidaat voor de Nobelprijs gevonden dan Mulisch of Nooteboom.”