Collega’s over Kouwenaar: “grootste dichter uit het Nederlandse taalgebied”

Gerrit Kouwenaar in Frankrijk in 1998 Foto NRC

“Bij zo’n verjaardag besta je weer even”, zei Gerrit Kouwenaar vorig jaar toen hij negentig werd. Nu reageren collega’s op het overlijden van een van de grootste naoorlogse Nederlandse dichters.

Dichter en oprichter van het tijdschrift Raster H.C. ten Berge kreeg pas echt waardering voor het werk van Kouwenaar vanaf 1960, toen de bundel De stem op de derde etage uitkwam.

“Daarin zag ik zijn eigen stem voor het eerst. Van de Vijftigers ben ik hem het laatste gaan waarderen. Hij nam mijn gedichten aan die ik in 1963 aan het tijdschrift Podium stuurde. Hij was redacteur daarvan. We raakten bevriend. Toen ik in 1967 Raster oprichtte zei hij spontaan zijn medewerking toe. Dat was best een risico voor hem, want hij had geen idee welke kant het tijdschrift zou opgaan. Dat was erg solidair. Hij stond, net als de andere Vijftigers, altijd open voor poëzie van jonge dichters. Toen hij vroeg of op de achterkant van zijn bundel Autopsie/anoniem (1960) mijn poëtisch portret van hem mocht staan, was ik zeer vereerd. Ik vond het zo hartelijk dat hij dat vroeg. Dat was hij sowieso: hartelijk en aimabel, maar hij was wel een slechte correspondent: hij beantwoordde brieven nooit. We raakten na mijn debuut bevriend, later ging ik in zomers naar hem toe in zijn huis in Zuid-Frankrijk. Ik denk dat het oeuvre van Kouwenaar van dezelfde grootte is als dat van Lucebert.”

Dichter Thomas Möhlmann (1975) had als puber veel met Lucebert:

“Als wannabe dichter vond ik Lucebert stoer, we speelden soms een beetje Lucebert. Kouwenaar was minder stoer, maar die leerde je op papier kennen. Ik heb wel voordat ik debuteerde een ‘men’-periode op z’n Kouwenaars gehad. En dat hij zijn gedichten liet eindigen op een gedachtestreepje om te accentueren dat een gedicht doorlopend was, dat vond ik ook erg goed. Zoiets zette je wel aan het denken. Samen met Lucebert en Hans Faverey is hij een dichter uit de 20e eeuw waar je niet aan kan ontkomen.”

Maarten van der Graaff, winnaar van de Buddingh’ prijs 2013 voor zijn poëziedebuut, had een vergelijkbare ervaring:

“Lucebert sloot aan bij je gemoed, Kouwenaar ook, maar later. Ik heb in hem nooit de kille dichter gezien die hij ook wel werd genoemd. Ik vind hem een echte dichter, een klassieker die leefde.”

Voor poëziefestival Poetry International was Kouwenaar een belangrijke gast, die gezellig meedronk en rookte. Volgens dichter en programmeur van Poetry Jan Baeke ontstond er mede dankzij Kouwenaar een losse sfeer:

“Hij en enkele andere dichters traden ergens in de jaren zeventig op in een bijna lege zaal. Er hing een kille sfeer. Toen bedachten ze dat ze hun voordrachten in de foyer moesten doen. Dat pakte goed uit, zo zijn de programma’s in de foyer ontstaan. In 2009 trad hij voor het laatst op bij ons. Hij droeg toen voor uit Totaal witte kamer, dat was een indrukwekkende vertoning.”

Ilja Leonard Pfeijffer, die straks het Poëziegeschenk 2015 schrijft, is het meest uitgesproken in zijn lof:

“Gerrit Kouwenaar is zonder twijfel een van de allerbelangrijkste dichters van het Nederlandse taalgebied. Ik heb hem altijd een serieuzere kandidaat voor de Nobelprijs gevonden dan Mulisch of Nooteboom.”

Anne Vegter, Dichter des Vaderlands, schreef een gedicht op het overlijden van Kouwenaar:

We hebben Kouwenaar gekregen om de tijd te verzetten
van ademend stof, zeldzaam zo helder, naar minder dan dood.

We hebben Kouwenaar gekregen om de lamp te verhangen,
om een woord te verzinnen voor het slapende vuur in de pan.

We hebben Kouwenaar gekregen om een voet te verzetten,
het lot van een boom, de avond vergeven, nog één sigaret.

We hebben Kouwenaar gekregen om de stilte te meten,
het landschap te spellen, geblaf van een mondige hond.

Om de dood van de ondode dichter te eren

hebben we Kouwenaar gekregen om de datum te verzetten
en op vrijdag te vertikken dat hij donderdag mocht gaan.

Vandaag in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad een necrologie van Guus Middag over Gerrit Kouwenaar. Abonnees kunnen dat artikel, ‘Een onderzoekende schuifelaar, overspoeld door de eindigheid’, hier lezen.