Wat die Thorbecke werkelijk zei

Geen debat over kunst, overheid en geld is compleet zonder verwijzing naar Johan Rudolph Thorbecke. Ook Melle Daamen haalt de 19de-eeuwse staatsman aan. Marita Mathijsen laat zien dat Thorbecke wel degelijk kunst en wetenschap wilde steunen.

Illustratie Olivia Ettema

Te pas, maar vooral te onpas, worden de woorden van de negentiende-eeuwse staatsman Thorbecke geciteerd wanneer het over het hedendaags kunstbeleid gaat: „Kunst is geene regeringszaak.”

Maar dit citaat is slechts de helft van een zin. In het vervolg ervan brengt Thorbecke een cruciale beperking aan. Hij zegt namelijk dat kunst geen regeringszaak is voor zover het het beoordelen van kunst betreft. Het citaat uit de Handelingen van de Tweede Kamer van 26 november 1863 luidt letterlijk: „De kunst is geene regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.”

Dat is heel wat anders dan wat er meestal van gemaakt wordt. Melle Daamen haalt in zijn aanzwengeling van het cultuurdebat in de NRC van 21 augustus Thorbecke min of meer juist aan in het citaat „dat de overheid geen oordelaar over kunst” zou mogen zijn. Maar hij interpreteert de ideeën van Thorbecke toch als nihilistisch: Thorbecke zou vinden dat de overheid zich helemaal niet met de kunsten moet bemoeien.

Daamen debiteert in zijn stuk over de kunsten in Nederland enkele achterhaalde gemeenplaatsen. Om zijn aanname dat de kunstwereld politiek en maatschappelijk geïsoleerd is te onderbouwen, komt hij weer aanzetten met het calvinisme, dat geen geschikt vertrekpunt voor een bloeiend kunstleven zou zijn. Maar hoezo is er in Nederland geen bloeiend kunstleven? Is het Concertgebouworkest niet vooraanstaand, is De Nationale Opera niet internationaal hoog gewaardeerd, zijn er geen wereldbekende beeldende kunstenaars en worden Nederlandse schrijvers niet massaal vertaald?

Ook komt Daamen weer aanzetten met de afwezigheid van een hofcultuur die tot gevolg zou hebben gehad dat Nederland „geen echte burgerlijke elite” had. Hoezo geen burgerlijke elite? Historici beweren dat er een sterke burgerlijke elite was juist door de afwezigheid van een hofcultuur, en die zorgde voor een opbloei van de kunsten.

Nog zo’n dooddoener is zijn verklaring van dat veronderstelde isolement van de kunsten. Het kunstbeleid in Nederland zou zich laat ontwikkeld hebben, pas na de Tweede Wereldoorlog, en nooit als een serieus politiek item gezien zijn. Kunstbeleid van de overheid is overal in de wereld pas van vrij recente datum. Subsidies voor schrijvers zijn hier juist eerder van de grond gekomen dan elders. Thorbecke krijgt van Daamen postuum de schuld van de vermeende slechte organisatie van de kunstensector.

Wereldtentoonstelling

Wat me in Daamens analyses juist lijkt, is de noodzaak van een nieuw kunstenbeleid. Voor het vervolg van die discussie is het nodig om de visie van Thorbecke eens goed te bekijken. Dan kunnen gretige wegbezuinigers zich niet langer verschuilen achter meningen die deze nooit geuit heeft en de historie niet langer als excuustruus gebruiken.

Thorbecke heeft zich tweemaal in de Tweede Kamer uitgesproken over het kunstbeleid. De eerste maal was op 22 september 1862. Hij was toen minister van Binnenlandse Zaken. Aan de orde was de Troonrede van koning Willem III, uitgesproken op 15 september. Daarin had de koning vol trots uitgeweid over de vooruitgang van de natie. Hij prees ook dat Nederland op de derde wereldtentoonstelling van kunst en nijverheid in Londen zijn ‘vooruitgang in vele takken onzer industrie’ getoond had. De troonrede werd daarna besproken in de Tweede Kamer. Het was Jonkheer Willem de Brauw, conservatief Kamerlid, in het verkeerde keelgat geschoten dat de koning wel de vooruitgang in de industrie had geprezen maar dat hij met geen woord gerept had over de schilderkunst, die ook in Londen geëxposeerd was. Dat stilzwijgen hield hij voor minachting.

Thorbecke verdedigde zich namens de koning. De schilderkunst speelde in Londen slechts een kleine rol, daarom was er niets over gezegd. Thorbecke verzekerde de jonkheer van zijn belangstelling voor kunst en wetenschap: „een groot deel van mijn leven was daaraan gewijd”. Daamen noemt dit cynisch het eerste gebod van hedendaagse kunstdebatten: beginnen met je liefde voor kunst te verklaren. Dat gold dus ook al in de negentiende eeuw. Thorbecke vervolgde zijn betoog met de woorden: „Maar het is geene zaak van regering. De Regering is geen oordeelaar van wetenschap en kunst.” Duidelijk genoeg dus: de staat hoort geen waardeoordelen over kunst te geven.

Vrijheid

De tweede keer sprak Thorbecke zich uit naar aanleiding van de staatsbegroting voor 1863. Op 25 en 26 november 1862 kwam de begroting voor de afdeling Kunsten en Wetenschappen aan de orde. Enige Kamerleden pleitten voor een groter bedrag voor de aankoop van moderne kunst. Een ander lid constateerde verbeten dat het budget voor kunsten en wetenschappen met 10.000 gulden verminderd was, terwijl er zoveel te verbeteren viel. Thorbecke antwoordde uitvoerig op de bezwaren. Zeker wilde hij wetenschap en kunst bevorderen. Reisbeurzen, goede opleidingen, een nationaal museum bouwen, dat vond hij allemaal middelen die de regering pasten, en daar wilde hij zich voor inzetten. Maar verder moest die onpartijdig en onafhankelijk zijn.

Hij herhaalde en specificeerde zijn uitspraak van 22 september: de regering heeft geen oordeel over en is niet gezaghebbend op het gebied van de kunsten.

Is Thorbecke hiermee een beschermer der kunsten geworden? Welnee, hij kromp de budgetten daarvoor in. Hij was een voorstander van particulier initiatief, meende dat artistieke talenten buiten regeringsbemoeienis om opbloeiden, dat het publiek mecenas moest zijn, dat ondersteuning van kunstenaars het gevaar van speculatie met zich meebracht. Als kind van de Romantiek was hij ook bang voor beknotting van de artistieke vrijheid. Beter onderwijs, armenzorg, bevordering van industrie hadden zijn belangstelling. Dat de overheid een taak in de kunsten had als iets publiek belang had en de macht van particulieren te boven ging, zag hij wel degelijk. Maar een Raad voor Cultuur, die in opdracht van de regering oordelen velt, daarvan zou hij gegruwd hebben.