Toneel kan best met musical

Toneel en musical kunnen van elkaar leren. ‘Soldaat van Oranje’ van ‘King Lear’. Beter dan die talentontwikkeling van Bussemaker, betogen Boris van der Ham en Cornald Maas.

Vandaag begint het Nederlands Theater Festival waarin de artistieke hoogtepunten van het afgelopen toneelseizoen te zien zijn. Aan het einde van het festival worden de VSCD-toneelprijzen uitgereikt, zoals de Louis en Theo d’Or voor de beste acteur en actrice. Prijzen voor andere podiumkunsten, zoals musical, cabaret en dans worden op andere momenten in het jaar uitgereikt. Ze hebben hetzelfde doel: kwaliteit belonen, en het in het zonnetje zetten van de verschillende genres. Hoewel de economische crisis en de bezuinigingen een lastige periode brachten, gaan er jaarlijks nog altijd meer mensen naar een podiumkunst kijken dan naar voetbal. Maar om dat publiek vast te houden en zelfs uit te breiden, is het nodig om de handen meer ineen te slaan.

Zo is er door forse bezuinigingen op theaterwerkplaatsen weinig ruimte voor de ontwikkeling van afgestudeerde acteurs, regisseurs, theaterschrijvers, dansers en zangers. Hoewel minister Bussemaker (Cultuur) vorige week aankondigde weer te willen investeren in talentontwikkeling, is daarmee de kou zeker niet uit de lucht. Theaters kunnen zich nu eenmaal minder risico’s veroorloven en boeken vaker voorstellingen met gevestigde namen over beproefde onderwerpen. Nieuwe theatermakers met frisse ideeën – die uiteindelijk wel degelijk tot publiekssuccessen kunnen uitgroeien – blijven daardoor vaak onterecht in de marge. De theatersector lijkt daarmee last te hebben van hetzelfde euvel als de hele Nederlandse kenniseconomie: in laboratoria worden prachtige dingen gemaakt, maar het opschalen van die creativiteit stokt. Alle disciplines in de sector moeten gezamenlijk optrekken om dit tij te keren.

Een andere uitdaging voor het Nederlands theater is wat ons betreft om meer prioriteit te geven aan het ontwikkelen van nieuw oorspronkelijk Nederlands repertoire. De uiterst actuele toneelvoorstelling ‘De Verleiders’, over de bankencrisis, bewees al dat daarvoor een groot publiek bestaat. Het ontwikkelen van nieuw repertoire is ook belangrijk voor genres buiten de theaters. Zo helpt een gezonde toneelschrijfcultuur de ontwikkeling van scenario’s voor tv en film. Maar ook hier zijn de financiële risico’s groot, en loont het als makers en theaters dat onderling ondervangen.

Naast het gezamenlijk opkomen voor talentontwikkeling en nieuw repertoire toont de praktijk dat het zeer vruchtbaar is om ook inhoudelijk de theatergrenzen over te steken. Combinaties van mime, dans en toneel leveren prachtige voorstellingen op. Ooit ontving komiek John Kraaykamp een Louis d’Or voor zijn memorabele hoofdrol in Shakespeare’s ‘King Lear’. Gevierde toneelacteurs spelen op dit moment in de musical ‘Soldaat van Oranje’ en ‘Hij gelooft in mij’, comédienne Sanne Wallis de Vries debuteert bij de Nationale Reisopera in ‘Sweeney Todd’ en het ‘grote’ Toneelgroep Amsterdam werkte samen met de ‘kleine’ Warme Winkel.

Maar te vaak leven de verschillende genres in aparte werelden. Het RO Theater had er als gesubsidieerd toneelgezelschap nooit over gedacht om hun muziektheatervoorstelling ‘Woef Side Story’ te laten meedingen voor een Musical Award. Toen dat alsnog gebeurde werden ze gelauwerd met vijf prijzen. In de musicalwereld bleken velen nog nooit van het RO Theater gehoord te hebben. Omgekeerd zijn makers uit de toneelwereld onder de indruk van de professionele wijze waarop de commerciële wereld omgaat met publieksbinding en marketing. Het zou een tweede natuur moeten worden om elkaars kennis en talent te benutten. Het zou mooi zijn als het publiek, niet gehinderd door vooroordelen of onwetendheid, warm gemaakt wordt voor de grote diversiteit aan voorstellingen.

Het loont, met andere woorden, om nadrukkelijk bij elkaar over de schutting te kijken. Persoonlijk zouden wij het al een mooi gebaar vinden als in de toekomst de historisch gegroeide prijzenverzuiling in de podiumkunsten wordt doorbroken, naar Brits voorbeeld. Daar zitten tijdens de jaarlijkse Laurence Olivier-awards toneelacteurs, dansers, schrijvers en musicalsterren gebroederlijk naast elkaar, en vieren ze de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid. In Nederland mag die verbondenheid ook meer tot uitdrukking worden gebracht. Omdat eenieder – zo veronderstellen wij in grote overtuiging – daar uiteindelijk beter van wordt.