‘Toneel heeft glamour nodig’

Vorige week kreeg hij de Amsterdamprijs (35.000 euro). Vandaag start ‘zijn’ Nederlands Theaterfestival. „Ik heb dit seizoen een paar verdomd goeie producties gezien.”

Jeffrey Meulman maakte van het Nederlands Theaterfestival een publieksfestival met prijzengala. Foto Oliver Middendorp

Charlie Chaplin. Daar moest Jeffrey Meulman, directeur van het Nederlands Theaterfestival, aan denken toen hij vorige week de Amsterdamprijs kreeg voor zijn inzet voor het Nederlands Theater. „Ik zag vlak voor de uitreiking toevallig op YouTube het moment dat hij in 1972 een ere-Oscar krijgt. Ik vond dat zo’n ontroerend fragment; die prijs betekende zóveel voor hem. De emotie die je dan in zijn ogen ziet – schitterend.”

Hij kreeg natuurlijk geen ere-Oscar, zegt Meulman, „maar zo voelde het wel. Zo’n prijs is echt een grote gebeurtenis voor een mens. Het raakte me veel meer dan ik had gedacht.”

Meulman (1968) kreeg de prijs onder meer voor zijn festival, dat hij elk jaar weer uit de grond weet te stampen terwijl de subsidie fiks terugliep, de kosten stijgen en samenwerking steeds lastiger te realiseren is. Meulman: „Gezelschappen kunnen zich steeds minder financiële risico’s veroorloven, terwijl ze wel op het festival willen spelen. Ik blijf dan uitleggen dat het festival óók geen geld heeft. Die onderhandelingen zijn moeizamer geworden.”

Maar ontmoedigd raakt hij nooit. „Nee, ik ben heel erg van: we gaan het tóch doen! Dat is, denk ik, ook de instelling waarvoor ik die Amsterdamprijs heb gekregen.”

Het Nederlands Theaterfestival, dat ieder jaar onder meer de tien beste voorstellingen van het seizoen toont, ging in 2004 als klein incrowdfestival ter ziele. Meulman wekte het in 2006 weer tot leven en transformeerde het tot een goed bezocht publieksfestival. Hij bedacht een randprogramma, voegde een prijzengala toe en richtte naar voorbeeld van Edinburgh een Fringefestival op met experimenteel margetheater. Het bezoek verdubbelde van 14.000 in 2008 tot 28.000 nu; de Fringe inbegrepen.

Kloof

Hoofdonderdeel van het Nederlands Theaterfestival zijn nog altijd die tien beste voorstellingen, gekozen door een vakjury. Maar in de loop der jaren merkte Meulman dat de belangstelling te sterk afhing van die selectie – „als die te experimenteel was, zagen wij de bezoekcijfers kelderen”. Sinds 2011 is er daarom een „bredere” jury, met daarin programmeurs en schouwburgdirecteuren uit het hele land. Tegelijk maakte hij zijn festival minder afhankelijk van de jury, door zelf voorstellingen te programmeren die hij belangrijk vond. „Soms kent een seizoen een evidente hit, zoals in 2011 Richard III. Toen die niet werd geselecteerd, heb ik hem gewoon zelf tot opening van het festival gebombardeerd.”

Insiders mopperen steevast over de selectie, die doorgaans uit vijf voorstellingen uit de grote en vijf uit de kleine zaal bestaat. Met drie producties van Toneelgroep Amsterdam, waaronder het zwakke Lange dagreis naar de nacht, en het al te keurige Hamlet versus Hamlet, leek de jury dit jaar maar moeizaam tot vijf ‘beste’ grotezaalvoorstellingen te zijn gekomen. Zegt dat iets over het aanbod? Meulman: „Jury’s hebben het altijd moeilijker met de grote zaal. Mensen uit het vak zijn gevoeliger voor experiment, en dat vind je eerder in de kleine zaal. Maar dat wil niet zeggen dat er een ‘crisis is in de grote zaal’, zoals dan meteen wordt geroepen. Het fluctueert; het ene seizoen is sterker dan het andere. Ik heb dit seizoen een paar verdomd goeie producties gezien. Er staat een smakelijke selectie.”

Meulman heeft niet het idee dat voorstellingen voor de grote zaal braver zijn geworden, als gevolg van bezuinigingen, crisis, en teruglopend bezoek. Wel ziet hij een probleem aan de afnamekant. „Kwetsbaar aanbod wordt door podia, vooral in de regio, steeds minder geprogrammeerd. Kijk naar het Vlaams theater, dat is na een bloeiperiode nu nagenoeg uit de Nederlandse zalen verdwenen.”

Een andere zorg is „de groeiende kloof tussen de haves en de have-nots”. „Aan de ene kant zie je instellingen die superzuinig zijn. Wij ook: we hebben lage overheadkosten en ons kantoor zit antikraak. Aan de andere kant zijn er de instellingen en gezelschappen die nog wel geld hebben. Hoewel niemand in dit vak ‘rijk’ is, zie je zo toch een kloof ontstaan. Kijk, iedereen kan houtje-touwtjetheater maken met een oude stoel van oma, maar bezoekers willen vaak toch een beetje glamour. Mooie decors, goede belichting, een gelikte brochure; dat trekt publiek. Door slimmere samenwerking, bijvoorbeeld door hergebruik van decormateriaal, kan die kloof misschien een beetje worden gedicht.”

Hij heeft het zelf ervaren met het Gala van het Nederlands Theater, de slotavond van zijn festival, waarop belangrijke toneelprijzen als de Louis d’Or en de Theo d’Or worden uitgereikt. Traditioneel werd die ‘Oscaruitreiking van het Nederlands toneel’ georganiseerd door de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) en gefinancierd met niet-geïnde theaterbonnen. Budget: een ton. Maar vorig jaar werd de theaterbon een theaterkaart die geldig blijft. De VSCD zag die financiële strop niet tijdig aankomen en meldde Meulman kort van tevoren dat er geen geld was. „Niks, noppes. Toen heb ik wel even flink gevloekt.”

Unieke live-ervaring

Dus was het gala vorig jaar uiterst karig. Hier en daar werd gemopperd over die soberheid, en dat kan Meulman begrijpen. „Er is een punt waarop je zegt: zo kan het niet meer.” Dit jaar produceert het festival het gala zelf, samen met de schouwburg en acteursvereniging ACT. „Wij stoppen er gratis uren in, de schouwburg stelt de zaal ter beschikking, artiesten werken mee voor weinig. We moesten echt opnieuw beginnen, dat was even schrikken.”

Onder invloed van de bezuinigingen en het negatieve politieke discours heeft het theater in Nederland zware klappen gehad, ziet Meulman. „Het herstel is broos, en er zijn grote risico’s. Ik vind bijvoorbeeld dat de nadruk te veel op de economie is komen te liggen, en te weinig op de inhoud. Het maakt echt veel verschil of een schouwburgdirecteur eigenlijk een hotelmanager is, of een bevlogen kenner met liefde voor theater die in gesprek gaat met het publiek.”

Kansen voor instellingen en gezelschappen ziet hij in een betere publieksbinding, door onder meer „een ijzeren discipline in de programmering. Het duurt lang voordat je een publiek opbouwt, en de sector en overheden zijn ongeduldig. De nadruk ligt te veel op het nieuwe. Daarmee vervreemd je het publiek.” Ook de communicatie kan beter, vindt hij, met bijvoorbeeld toegankelijker brochures.

Wat de sector niet helpt is de geringe aandacht van de media, zegt Meulman. „In andere landen worden toneelregisseurs geregeld uitgenodigd om aan te schuiven bij praatprogramma’s. Daar maken ze deel uit van het maatschappelijk debat.” En hier? „Hier was het nieuws dat Jan Smit het Televiziergala gaat presenteren.” Grinnikend: „Daar was ik wel even jaloers op.”

Maar zo’n Amsterdamprijs – à 35.000 euro – is behalve erkenning voor zijn eigen inspanningen natuurlijk een mooie opsteker voor de sector. „Daarmee zegt de stad Amsterdam: theater doet ertoe. En natuurlijk! Theater biedt een uniek, eenmalig moment van live interactie tussen acteurs en publiek; een zintuiglijke ervaring die nergens kan worden geëvenaard. Heel opvallend vind ik dat mijn kinderen veel langer napraten over een voorstelling dan over een film.” En de bestemming voor het prijzengeld? Hij weet het nog niet. Lachend: „Maar als ik wil, kan ik nu 35 jaar hoofdsponsor van het gala zijn.”