Regel één: niemand verraadt zijn buren

De jongens in Spoorwijk haten de politie. Maar voor de wijkagenten hebben ze best respect. Agenten Eric en Marc proberen criminaliteit in de kiem te smoren. „Jongeren van twaalf doen hier al aan afpersing en dealen. Als ze achttien zijn, ben je te laat.”

De beruchte Oltmanstraat. „Hier wordt niet ingebroken.” Gegrinnik vanaf de voorbank. „Dat durf je niet.” Het politiebusje zwiept het volgende nauwe straatje in. Hop, langs een snackbar met afgeplakte ramen, „Erics projectje.” Hop, langs het altijd leegstaande Cruyffcourt. En door, langs de Thaise salon met een vergunning voor iets meer dan een massage. Weer gegrinnik. „Daar hoef je niet op je buik te liggen.”

Wijkagenten Eric Borst en Marc Quadflieg kennen Spoorwijk door en door, dit is hun wijk. Ze weten wiens broertje dealt, op wiens naam die dure Lexus staat, wie net uit de bak is gekomen. Zie je die camera’s daar op het plein? Die mogen van hen nog wel even blijven hangen, er was altijd gedoe daar. „Intimidatie, drugs, heling.”

Vandaag rijden Eric, twee meter vijf, en Marc, twee koppen kleiner, met de verslaggevers een rondje door hun wijk. Bij uitzondering in het politiebusje, want meestal lopen of fietsen ze. „Dan kunnen de mensen naar ons toe komen.”

Hun doel: criminaliteit in de kiem smoren, zo vroeg mogelijk. „Jongeren van twaalf doen hier al aan afpersing, slopen, dealen. Als ze achttien zijn, ben je te laat.”

Het politiebusje rijdt langs de imposante hindoetempel op het Alberdingk Thijmplein. „De straat erachter vond dat het naar wierook stonk en begon flesjes bier op de gelovigen te gooien.” En langs het koffiehuis. Hier zitten de jongens van de wijk, ook die waar de politie het druk mee heeft.

Vijf meter is de afstand tussen hen: de jongens met „handeltjes”, leden van de ‘Quote-groep’ en agenten met hun bonnenboek. Vijf meter tussen overtreders en de handhavers, tussen onder- en bovenkant.

Is dat veel of weinig?

In het Marokkaanse koffiehuis aan de Guido Gezellestraat – pal naast de Turkse snackbar die geen Turkse pizza’s meer verkoopt, de mensen willen toch alleen patat – is het om 1 uur al druk. Voetbal op tv, een bordspelletje, Red Bull en blauwe Fernandes op tafel, wolkjes zoete rook uit de shisha, geen muziek. De bezoekers zijn de grens van achttien gepasseerd, uitbater Rachid wil geen kinderen in z’n tent.

Laatst kwam hier voor het eerst een Pool binnen, voor een glaasje muntthee. Normaal zit hier de gebruikelijke mix van autochtoon, Hindoestaans, Marokkaans, Surinaams en Turks. Ze hebben eindelijk weer een honk in hun wijk.

Het koffiehuis is nu een jaar open, hiervoor was er niks in Spoorwijk. De keet bij sporthal ’t Zandje is dicht, cafés voor jongeren zijn er niet. Een welzijnswerker zag de jongens op straat hangen, of ze zaten bij moeder thuis aan de eettafel. Hij opende het koffiehuis zonder naam. Aan de pokertafel („niet voor geld, dat mag niet”) doen ze een spelletje. Veel dialoog is er niet.

In het politiebusje

De tocht gaat langs het gebarricadeerde huis aan de Schimmelweg van de afgetrainde Alex, 72 jaar, uit Curaçao. Tralies voor de ramen, rollen prikkeldraad op de schutting. Dat was nog uit de tijd dat junks z’n voordeur openbraken en tegen z’n gevel pisten, inmiddels alweer twintig jaar geleden. Je kunt beter verhuizen, had een agent tegen ’m gezegd. Nou, mooi niet! Alex, die bij de mariniers werkte, timmerde zijn voordeur dicht en hield stand.

Door naar de beruchte Beetsstraat, jarenlang een vrijstaat, een no-go-zone voor de politie. In de straat, gedomineerd door een paar families, hing voor de renovatie „een dreigende sfeer”. Drugs, drank, vechtpartijen. De onoverzichtelijke tuintjes tussen de straten helpen de politie niet. En regel één, niemand verraadt een buurtbewoner. Hoe dat gaat? Een bewoonster, die pas nog een jongetje plat op z’n buik voor het raam zag liggen: „Ik dacht: wat ligt er nou in mijn tuin? En daarna de politie die langsreed. Ik hield me stil. ‘Dank u wel, mevrouw’, fluisterde hij.”

Spoorwijk is een wijk waar de bewoners lijnrecht tegenover het gezag staan. Altijd zo geweest. Wie buurtbewoners over vroeger hoort, hoort verhalen over KPS, Knokploeg Spoorwijk, die erop los sloeg, over eieren gooien naar de politie. Het kerstbomen rauschen zorgde ieder jaar voor gedonder, het vechten met boksbeugels en fietskettingen tegen andere wijken ook.

Een paar jaar geleden was de afstand tussen politie en wijk misschien wel het grootst. Toen een arrestatieteam een man met een wapen uit een huis wilde halen, keerden zo’n vijftig bewoners zich met vuurwerk tegen de politie. De ME moest eraan te pas komen.

Dat was de druppel. Burgemeester Van Aartsen kwam langs en overal werden camera’s opgehangen.

In het koffiehuis

Wat is je toekomst als je in Spoorwijk opgroeit? De jongens in het koffiehuis rond de pokertafel zijn pessimistisch. Met 1.800 euro in de maand zouden ze dik tevreden zijn. Maar een verklaring omtrent het gedrag is net zo lastig te halen als een diploma. Eén, spijtig: „Ik had ’m bijna!” Hij ging toch weer de fout in. Een ander kon filiaalmanager worden bij het Kruidvat, „1.700 euro!” Maar ja, het strafblad. Je moet eerlijk zijn als je solliciteert, weten ze. „Als ze vragen wat je de afgelopen tien jaar hebt gedaan. Tja, jeugd-tbs...” Voor sommigen blijft alleen de sociale werkplaats over, „maar dat ga ik niet doen”.

De criminaliteit is een logische stap. Het is je hele wereld, zeggen ze. „Je praat over handeltjes, je ziet het, je hoort erover. De ene keer lukt het, de andere keer word je betrapt.” De jongens groeiden erin, van jongs af aan. Eén: „Op m’n tiende pikte ik al sigaretten bij de Albert Heijn, die lagen toen nog niet bij de kassa.”

Criminaliteit is een verslaving, zegt één van de jongens. Want geld is leuk. Van een handeltje koop je geen auto, maar wel mooie kleren, of je gaat er een keer flink van stappen voor een paar honderd euro.

Maar je wordt er ook moe van. Schuldbesef is niet een reden om je leven te beteren, spijt hebben ze niet. „Je weet wat je doet. Het is je eigen beslissing.” Is er dwang? Moeten ze meedoen van de groep? Nee, beweren ze. „Iedereen kiest z’n eigen weg en dat is oké.”

Het is de onzekerheid, de onrust die op den duur te zwaar gaat drukken. Vastzitten, dan weer terug, dan weer vastzitten. Sommigen stoppen of doen nog enkel handeltjes „met minder risico”. En als je je een keer schuldig voelt, dan is het alleen naar je moeder toe. Die wil je geen verdriet doen. Eén: „Mijn moeder is ook niet meer de jongste.”

In het politiebusje

Het politiebusje rijdt door de Van Zeggelenlaan. Hier trof Eric in november nog een man in z’n onderbroek aan in z’n huis, uitgemergeld in z’n hondenmand. De eigenaar van de Turkse supermarkt had bij hem aangedrongen om een keer te gaan kijken. Marc: „In Schilderswijk trekken mensen hun voordeur dicht, al brandt de hele stad af. Hier is saamhorigheid.”

In drie grote acties veegde de politie de wijk afgelopen jaren schoon. Eerst de dealers op het Jopplein voor de basisschool, toen de groep jonge jongens die inbraken in hun eigen buurt, daarna de bende van de Quote. De misdaadcijfers zijn volgens de politie omlaag gegaan en Eric en Marc hebben het „mede dankzij het werk van de vorige wijkagent” inmiddels een stuk makkelijker.

Nu komt het aan op tact. Eric en Marc rijden met opzet niet in burgerauto’s, die kent de wijk toch wel. Zij zitten op de fiets, of op de bankjes, midden tussen de jongeren die hen liever ontwijken.

„Je moet laveren”, weten ze. „Als wijkagent kun je niet altijd maar een bon uitschrijven.” Dus waarschuwen ze eerst als iemand dubbel parkeert. „Anders heb je het voor een half jaar verpest.”

In het koffiehuis

Op de stoep voor het koffiehuis staan de jongens te grappen. „Hoe noemen we Eric nou altijd?” „Lange!” Een ander: „Lange paling, zei ik een keer. Vond-ie niet leuk. Hij zei: als je het nog één keer zegt, krijg je een bekeuring.” „Lange paling, hahaha, lange paling.” „Toen kreeg ik een bekeuring thuis gestuurd.” Weer een ander: „Dat snap ik wel. Dat kan hij zich niet laten zeggen.”

In het politiebusje

Goodwill kweken, prima, maar over je heen laten lopen, dat kan niet. Eric: „Het Haagse alfabet begint met een K. Kankerdit, kankerdat. Als iemand ‘kankerjood’ zegt, dan pak ik dat aan. Dat moet je niet laten schieten.”

Haten de jongens in Spoorwijk de politie nou? Ja, zeggen ze. Maar voor de wijkagenten hebben ze „best respect”. Eén: „Toen ik uit de bak kwam, kreeg ik een boete waar ik niks aan kon doen. Toen heeft Marc me geholpen er vanaf te komen.”

En andersom? Eric, tegen de verslaggevers: „Schrijf je nou eens een keer wat leuks over deze wijk?”

In het koffiehuis, een tijd later

Wijkagent Eric komt binnen en bestelt een kop koffie. De jongens kijken even op, daarna gaat het spel aan de pokertafel zwijgend verder.