Column

Prijsvechter zoekt tegenstander

Geen prijsstagnatie in Nederland, vooralsnog. De Nederlandse inflatie kwam vanochtend binnen op 0,4 procent – in de Europese definitie. Dat is iets hoger dan de 0,3 procent in juli. En flink hoger dan in België, waar de inflatie nu nul is. Daar waren het vooral de energieprijzen die de inflatie drukten. In Nederland was dat ook het geval (een daling van 1,3 procent), maar die neerwaartse druk werd elders gecompenseerd.

De vraag rijst: moet je energieprijzen eigenlijk wel incalculeren? Ze zijn wispelturig en er is altijd wel wat mee. Zoals nu, bijvoorbeeld, zodat we ons misschien wel voor niets zorgen maken over de te lage inflatie. Voor hetzelfde geld stijgen de energieprijzen straks weer heel erg en lijkt de inflatie juist hoger dan hij zonder deze stoorzender is.

Wat kun je tegen hebben op deze redenering? Allereerst is er de tegenwerping van Jean-Claude Trichet, de vorige baas van de Europese Centrale Bank, in een vraaggesprek met deze krant in 2008. De energieprijzen stegen toen nogal. Trichet zei me: de opkomende landen zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor de extra vraag naar energie die de prijzen opdrijft. Diezelfde opkomende landen zorgen voor een veel goedkopere productie van allerlei goederen. Dat laatste drukt de inflatie in Europa. Moeten we dan die hogere prijzen niet meetellen? Het zijn juist twee kanten van dezelfde medaille.

Tot zover de theorie, voor rekening van Trichet. Een tweede tegenwerping is dat er altijd wel wat is met wispelturige prijzen. Naast energie is dat voeding. De twee worden vaak gezamenlijk weggelaten om een ‘kerninflatie’ te berekenen. Daar kun je eindeloos over theoretiseren, maar laten we eens iets geks doen waartoe economen steeds minder genegen lijken: het gewoon uitrekenen.

Volgens het CBS had ons land tussen juli 1996 en juli 2014 (verder terug gaat de uitgesplitste serie van consumentenprijzen niet) een gemiddelde inflatie van 2,1 procent. Als we nu voedingsmiddelen en energie eens weglaten: dat kan omdat het CBS de weging van deze twee onderdelen van het mandje van consumptiegoederen en diensten weglaat.

Wat was de gemiddelde inflatie in Nederland zonder voeding en energie? Hé, óók 2,1 procent. Het maakt dus op de langere termijn niets uit of je ze toevoegt of niet.

Dan is er een derde argument: inflatieverwachtingen. Het gaat niet alleen om wat de inflatie nu is. Het gaat er ook om wat consumenten verwachten. Want als zij zich gaan gedragen naar hun eigen voorspelling, of dat nu wegrennende inflatie is of deprimerende deflatie, dan kunnen zij hun eigen verwachtingen waarmaken en ontstaat een ongewenste spiraal naar boven of beneden.

Bij die verwachting: alles wordt duurder of goedkoper, maken consumenten geen nauwgezette uitsplitsing. Ze baseren zich op een algemeen gevoel. Ook hier speelt het al dan niet weglaten van energie en voeding geen echte rol. Hooguit kan de publicatie van lage inflatiecijfers de mening versterken. Maar moet je dat dan maar achterwege laten, of verruilen voor een cijfer zónder energie als je dat even goed uitkomt?

En nu we toch het zout van de slakken aan het halen zijn: is, als de prijzen dalen, Japan ons voorbeeld? Niet helemaal. Jaap van Duijn, de voormalige beleggersveteraan bij Robeco, hamert er al tijden op dat dit voorbeeld niet klopt.

En inderdaad. Halverwege 1993, toen in Japan het tijdperk van ‘deflatie’ zo’n beetje begon, stond de Japanse consumentenprijsindex op 98. Vorige maand kwam hij binnen op 98,3. Het is dus niet zo dat Japan een langdurige periode van structurele prijsdalingen heeft ondergaan. De prijzen zijn per saldo gewoon twintig jaar hetzelfde gebleven. Het bestaan is vaak ondraaglijk veel saaier dan het lijkt.