Orfeo als flow van krullende ledematen

foto Monika Rittershaus

Extremer lijkt dit seizoen van de Nationale Opera & Ballet niet te kunnen beginnen. Dinsdag ging de scenische wereldpremière van Schönbergs gargantueske Gurre-Lieder, met 230 musici en een adembenemend magisch-realistisch decor. Woensdag volgde Monteverdi’s Orfeo in intieme baroksfeer en met basale aankleding.

Toch, ondanks het tijdverschil van 400 jaar tonen beide werken opmerkelijke overeenkomsten. In beide gevallen gaat de minimale plot over een man die de liefde viert, haar op tragische wijze verliest en afdaalt in het duister om haar terug te winnen.

Sasha Waltz tekende voor de regie én de choreografie van Orfeo. Gevolg: een constante flow van elegant krullende ledematen, waarbij het onderscheid tussen dansende zangers en (heel soms zingende) dansers bijna geheel verdween. Het bühnebeeld bevatte weinig meer dan sfeerprojecties en een sobere houten poort – het ging immers om het organische fries van handen en voeten.

Waltz’ sierlijke choreografie leidde lang niet altijd tot nieuwe inzichten. De bruiloft van Orfeo en Euridice was en bleef een idyllisch dansfeestje met harp en tamboerijn. De aankondiging van Euridices dood (invoelend gezongen door Charlotte Hellekant) ging met stervende zwanen gepaard.

Interessanter was het contrast tussen de strenge noten van helwachter Caronte en een golvende massa wanhopige doden. In deze sleutelscène zingt Orfeo zijn befaamde Possente spirto: hypnotiserende muziek die alle poorten opent. Met fraaie stotternoten en smachtende bewegingen maakte tenor Georg Nigl zich van de titelrol meester. Hese uithalen en soms imperfecte intonatie werkten het medeleven alleen maar in de hand.

De visuele variaties vonden een muzikaal equivalent in de begeleiding van het Freiburger BarockConsort. Gezeten aan weerszijden op het podium, pasten de musici treffende combinaties toe in de instrumentale begeleiding en tussenspelen. Dirigent Pablo Heras-Casado leverde met losse aanwijzingen een flexibel dansante puls.

Van Waltz’ gedetailleerde choreografie kan een gemiddeld operaregisseur nog wat leren, getuige de banale dansjes waartoe operakoren al te vaak veroordeeld zijn. En operazangers kunnen heus heel zwierig zijn. Zie de pas de deux in slow motion van Proserpina en Plutone, en de ranke Anna Lucia Richter als Euridice met het puurst denkbare stemgeluid.