Column

‘Frans Timmermans’

Wat ik nooit had verwacht, begint zich nu af te tekenen: ik voel enige irritatie opkomen bij het horen van de naam ‘Frans Timmermans’. We hebben het al de hele week over hem. Of ‘Frans Timmermans’ die baan krijgt als eurocommissaris en wat hij dan precies moet gaan doen. Wordt ‘Frans Timmermans’ supercommissaris, mag hij zich de rechterhand van zuipschuit Juncker noemen of wordt het een inhoudelijk minder zware functie?

Over die dingen moesten we ons het hoofd breken. Maar ik merkte dat mijn hoofd daar steeds minder zin in kreeg. Ik had Timmermans altijd een interessante politicus gevonden, als hij in de buurt kwam ging ik naar hem luisteren – en nooit werd ik teleurgesteld. Een voortreffelijke redenaar, en niet alleen in technisch-retorisch opzicht; hij was ook iemand die werkelijk iets te zeggen had.

Toen hij minister van Buitenlandse Zaken kon worden, gunde ik hem dat van harte. Wie niet? Hij kreeg eindelijk de plek waar hij zijn talenten ten volle kon ontplooien. Dat vond hij zelf ook. „Mijn droombaan”, noemde hij het, „voor het eerst denk ik niet: wat moet ik hierna gaan doen?”

Zijn benoeming leek me ook belangrijk voor de PvdA, dat met Timmermans en Dijsselbloem twee ideale troeven in het nieuwe kabinet kreeg. Dat kon de PvdA wel gebruiken in deze voor haar barre electorale tijden. Maar wat gebeurt er? Ze hebben zich nog maar net goed ingewerkt of ze willen alweer weg. Den Haag werd te klein voor Timmermans, las ik ergens.

Dijsselbloem lukte het niet, omdat hij het drankprobleem van Juncker iets te eerlijk had benoemd, maar Timmermans mag het nu wel proberen. Goed, liever had hij de baan – Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlands Beleid – van mevrouw Mogherini gehad; per slot van rekening had hij heel wat meer buitenlandse ervaring dan zij. Maar expertise heeft kennelijk geen prioriteit bij het verdelen van de Europese baantjes.

Hoe dierbaar zou Timmermans mij zijn gebleven als hij op dat moment had gezegd: „Mevrouw Mogewie? Moet ik daarvoor wijken? Zoek het maar uit. Ik blijf minister van Buitenlandse Zaken, want daar ligt mijn hart.”

Maar ik begrijp inmiddels dat ik daarmee de politieke werkelijkheid wel heel naïef benader. Succesvolle politici moet je meer zien als topvoetballers die met het grootste gemak elk jaar van club veranderen – als er maar persoonlijk voordeel te behalen is. Ze wachten zelfs niet het einde van hun termijn af, ze laten zich ook tussentijds transfereren.

Timmermans heeft zich dus vermoedelijk juist wél afgevraagd: wat zal ik hierna gaan doen? Hij is gaan rekenen: blijft het kabinet zitten, dan heb ik nog maar 2,5 jaar als minister, maar als eurocommissaris kan ik vijf jaar blijven en heb ik daarna uitzicht op allerlei andere interessante, internationale functies.

Hij en zijn partij (en ook premier Rutte) zullen zeggen: het is goed voor Nederland. Veel internationaal prestige en zo. Maar als Nederlands burger ben ik teleurgesteld en voel ik me enigszins in het pak genaaid. Ministers zijn er genoeg, briljante ministers niet.

Ja, de PvdA had het zo afgesproken met de VVD: zij mocht de eurocommissaris leveren. Zal daar straks één kiezer van wakker liggen? Misschien had Samsom het beter zelf kunnen worden. En dan de PvdA met Asscher, Timmermans en Dijsselbloem de volgende verkiezingen in. Als Rutte dat heeft willen voorkomen, dan heeft hij deze week goede zaken gedaan.