Cabaretier ontregelt te weinig

Komend weekend worden de prijzen voor beste cabaretvoorstelling en grootste cabarettalent uitgereikt. Wat zeggen de nominaties over hoe het cabaret ervoor staat? En Ali B moet winnen.

Wat was de beste grap van het afgelopen cabaretseizoen? Het is een onmogelijke vraag, maar laat me een nominatie doen. In zijn oudejaarsconference ging Theo Maassen in op de discussie over Zwarte Piet. Maassen: „Mensen zeiden: er zijn veel meer mensen die er plezier van hebben dan die er last van hebben... Ja, dat is ook mijn argument voor groepsverkrachting.”

Het is een brutale, ongemakkelijke vergelijking die de lach opwekt. En goed gevonden, want het legt de denkwijze van de tegenstander bloot: dat je de Pieten-discussie zou kunnen beschouwen als een democratisch proces waarbij de meerderheid het voor het zeggen heeft. Met deze grap wordt ook daadwerkelijk een argument onderuitgehaald. Daarbij kun je nog optellen dat de metafoor ook inhoudelijk een klap uitdeelt door de associatie van racisme met verkrachting: zo redeneren verkrachters ook, stelt Maassen.

Voor de beste grap van het seizoen zijn geen nominaties en wordt geen prijs uitgereikt. Maassen is met zijn Einde oefening wel een van de genomineerden voor de Poelifinario, voor het „meest indrukwekkende programma” van het jaar, samen met Ali B, Paulien Cornelisse en Erik van Muiswinkel. De prijs wordt zondag uitgereikt tijdens de eerste editie van de Cabaretdagen in Den Bosch. Net als de Neerlands Hoop, die gaat naar „de meest belovende theatermaker(s) met het grootste toekomstperspectief”. Daarvoor zijn genomineerd: Martijn Koning, Katinka Polderman en Emilio Guzman.

Retorica

Definiëren deze nominaties hoe het gaat met het Nederlands cabaret? En wat ‘goed cabaret’ is? Dat zijn vragen waarover voorafgaand aan de uitreiking van de Poelifinario zondag op de cabaretdagen een debat zal zijn. Over beide kwesties valt wel wat te zeggen.

De Pieten-grap van Maassen is van zichzelf goed, maar ook interessant omdat de grap functioneert in een hoog oplopende maatschappelijke discussie. Goed cabaret is in dit geval retorica, een satirische vorm van redeneerkunst. In die vorm levert cabaret grappen op die én argumenten zijn, én ontleding van een probleem of situatie. Zulke grappen zijn in wezen kleine betoogjes. De geachte opponent heeft een mening, maar met twee, drie tegenwerpingen wordt hij gevloerd. Door een slimme gedachte of een scherpe observatie die blootlegt waarom de ander, zijn mening, de wereld niet deugt. Verpakt als grap krijgt het publiek analyse en genadeklap ineen.

Maassen toonde zich in Einde oefening wel vaker een volleerd retoricus. Bijvoorbeeld bij zijn aanval op Rutte, de premier die het hebben van een visie afwijst. En ook in de manier waarop Maassen Poetin tackelde over zijn homobeleid: „Homoseksualiteit is geen ziekte. Dat zou ook nooit geaccepteerd worden als je ’s maandags naar je werk belde.”

In Nederland zijn we gewend dat de constructie van een voorstelling de losse, goede grappen in een bezielend verband zet. Als geheel was Einde oefening niet uitgebalanceerd. Maassen worstelde openlijk met de vorm van de oudejaarsconference, die vraagt om grappen over het nieuws. Dat is niks voor mij, somberde hij. Hij lepelde grote nieuwsfeiten op en vroeg zich vervolgens af wat hij ermee moest. Maar dat ongemak bleef hangen in halfhartig klagen. Maassens’ eerbied voor de traditie won het. Met wat meer durf had hij het mes gezet in de dwingende vorm van de conference.

Onophoudelijk grappig

De voorstelling die wel perfect opgebouwd was, en onophoudelijk slim, grappig en ontroerend was, is het cabaretprogramma dat de Poelifinario verdient te winnen: Ali B Beken(d)t. De humor van Ali B heeft niet het bulldozereffect van Maassen. Maar hij zit boordevol geestige verhalen en verrassende anekdotes en kan theatraal en overtuigend vertellen. Zijn verhalen zitten vol dialogen en wat Ali B geweldig kan is de dynamiek van die gesprekken levendig overbrengen. Wat de een zei, wat de ander zei. Beken(d)t is niet alleen geraffineerd geschreven, het is ook meesterlijk gespeeld. Dat is goed cabaret.

Ali B presenteert Beken(d)t als een programma om elkaar beter te leren kennen en daarvoor zet hij bekentenissen in. Met veel zelfspot gaat het over zijn discutabele faam als rapper, over wat hem niet bevalt aan zijn uiterlijk en zijn vermeende rijkdom. Terwijl hij gevierd werd als tv-maker en jurylid van The Voice raakte hij bijna overspannen. Dat leidt tot een hilarisch beschreven zoektocht naar ontspanning, uitlopend op een bezoek aan een sauna.

Als in de sauna iedereen naakt blijkt te moeten, voert hij ‘de moslim in mij’ op. Die stem zegt dat openbaar naakt niet mag, dat het niet halal is. Die stem in hem vormt het opstapje naar een schitterend slotkwartier waarin hij zowel zijn geloof verdedigt als in twijfel trekt.

Is er een actueler, brandbaarder onderwerp dan de islam? Dat een cabaretier zijn religiositeit belijdt, en het geluk dat de islam hem bezorgt overtuigend weet te verklaren, maakt deze voorstelling onvoorstelbaar relevant.

Ali B vertelt dat hij bidt omdat hij dichterbij ‘de intelligentie’ wil komen die hij ervaart als hij kijkt naar hoe de mens en de wereld zijn gemaakt. En hij legt uit waarom hij er moeite mee heeft om te zeggen dat hij moslim is, terloops verduidelijkend hoe hij zijn geloof beleeft. Hij wijst op ‘andere mensen’ die in contact menen te staan met de intelligentie tot wie hij bidt, en daaraan het recht ontlenen te moorden. Op dat moment verheft Ali B zijn stem en roept: „Waarom ga je kinderen vermoorden in naam van De Meest Barmhartige. Dat gaat gewoon niet. Dat maakt me kwaad.”

Woede wisselt hij af met lichtvoetiger spot. De chagrijnige moslim begrijpt hij wel, maar niet de chronisch chagrijnige moslim. Want als Ali B bidt, dan wordt hij vrolijk. Dan wil hij huppelen. „Ik hoor de baarden denken, kijk: Mos-gay! Maakt mij niet uit!” En zeer geestig is hoe hij een Jehova-getuige, een meisje, binnen nodigt, en uren ondervraagt over de onwankelbaarheid van haar geloof, tot ze toegeeft niet alles te weten.

Zo bouwt hij aan een vernuftig retorisch betoog, waarin hij de atheïst en de gelovige – christen, moslim – gelijkschakelt en het publiek tracht te overtuigen van zijn stelling, en die is dat niets zeker is. We weten het niet. Voor zowel gelovigen als atheïsten is dat een heikele vaststelling. Ali B laat zijn publiek niet alleen lachen, hij laat ze ook denken. Dat is goed cabaret.

Dat Paulien Cornelisse de Poelifinario wint, zou ook te verdedigen zijn. Haar Maar ondertussen was een hoogtepunt van het cabaretseizoen. Bij Cornelisse krijgt de bezoeker geen ontboezemingen. Tegen dat cabaretesk narcisme zet ze zich juist af. Haar ingeving was om zichzelf daarom letterlijk te laten zien: haar spuug en bloed onder een microscoop, en dat projecteren op een scherm. Het pakte even geestig als bevrijdend uit.

Signaal

Terug naar de vraag: wat zeggen de nominaties over hoe het cabaret ervoor staat? Door maar vier voorstellingen te nomineren lijkt de jury van de Poelifinario het signaal af te geven dat seizoen 2013/2014 een mager jaar was. Vorig jaar nomineerde de jury (overigens in een geheel andere samenstelling) zes voorstellingen, met de mededeling dat er nog wel zes bij hadden gekund. En inderdaad, een voorstelling met de sluipende gekte van Wim Helsen of het grappenspervuur van Ronald Goedemondt ontbrak dit jaar node. Maar de top is breder en sterker dan de jury doet voorkomen: zie Claudia de Breij, Sara Kroos en Jeroen van Merwijk.

Maar de brede top verdoezelt het gebrek aan ontwikkeling. Pogingen om grenzen te verleggen zijn te schaars. De Nederlandse cabaretvoorstelling beweegt zich langs een vast patroon: een verhaal met een kop en een staart, dat de worsteling van de authentieke cabaretier met de conformistische wereld bevestigt. Cabaret met een beetje risico, cabaret dat eens iets nieuws probeert of wil ontregelen: daar ontbrak het afgelopen jaar toch aan. Veel is goed gemaakt, maar blijft aan de veilige, vertrouwde kant. Jan Jaap van der Wal signaleerde vorige week in Het Parool iets soortgelijks toen hij zei: „Het is de taak van een kunstenaar zich steeds opnieuw uit te vinden. In Nederland is cabaret in een mal gedrukt, de grenzen zijn zo ongeveer bepaald. En dat is precies wat ik niet wil.”

Er waren wel uitzonderingen, twee cabaretiers die voorzichtig iets nieuws probeerden. Katinka Polderman bouwde een minitheatertje op het podium waarin ze met vingercamera en poppetjes scènes speelde. Hoogst origineel, maar haar mikpunt van spot, tv-programma De rijdende rechter, prikkelde minder. En Peter van Rooijen van Team Peter voerde gesprekken met een voice-over. Een opwindende aanpak, waarvan hij de theatrale mogelijkheden niet wist uit te buiten. Maar beiden verdienen een luid bravo! voor hun lef.

Jong talent

Als het gaat om de vitaliteit en de toekomst van het genre, dan was 2013/2014 niettemin een hoopgevend seizoen. Er wordt door de sector wel gesomberd over te weinig speelplekken voor jong talent, maar de realiteit is dat een hele lichting nieuwe cabaretiers zich aandiende. De drie zuinige nominaties voor de Neerlands Hoop weerspiegelen dat maar deels. Dat Katinka Polderman is genomineerd voor deze talentenprijs met nota bene al haar vierde voorstelling, is een beetje sneu, want in 2009 kreeg ze ook al een nominatie. Zo’n herhaling maakt de de prijs ook nodeloos diffuus. Hoe lang blijf je talent?

Als iemand zo’n duwtje in de rug verdiende dan was het wel debutante Eva Crutzen. Een machtig talent, maar over het hoofd gezien. Martijn Koning, a star to be born, werd gelukkig wel opgemerkt en gaat ongetwijfeld gelauwerd worden. Hij is een rauwe en gewiekste grappenmaker, die zijn teksten met schijnbaar gemak en veel bravoure opvoert – serieuze concurrentie voor Theo Maassen. Zijn Maand van Martijn bevatte talloze oneliners die in je hoofd blijven zitten.

Een voorbeeld van zijn vindingrijkheid is hoe hij zelfs van een uitgekauwd onderwerp als de NS nog iets weet te maken. Koning: „En dan wordt er omgeroepen: ‘Namens de NS wensen we u een go-fuck-yourself. De NS zet middelvingers in. Onze medewerker helpt u naar de dichtstbijzijnde middelvinger.”

Deze omkering van omroepberichten toont hoe Koning zaken op zijn kop zet. Bij hem ben je geneigd te denken dat het Nederlands cabaret voldoende ‘toekomstperspectief’ heeft.