Column

Welopgevoed meisje

Toen ik een poosje geleden over Simone de Beauvoir begon te schrijven, kreeg ik vooral van vrouwelijke lezers van om en nabij de zestig jaar blij-verraste reacties. Simone was hun heldin geweest, hun grote inspiratiebron, zij had hun de weg gewezen naar een geëmancipeerder leven. Dreigde haar werk niet vergeten te worden?

Dat is inderdaad ten dele het geval. Haar essayistische boeken, zoals het beroemde De tweede sekse, worden in Nederlandse vertaling nog wel herdrukt, maar de autobiografische boeken zijn vaak alleen antiquarisch verkrijgbaar. Toch is ook dit werk interessant, merkte ik bij lezing van haar gepassioneerde liefdesbrieven aan Nelson Algren, gebundeld in Een transatlantische liefde.

Hierdoor aangespoord begon ik aan het eerste deel van haar memoires, Herinneringen van een welopgevoed meisje uit 1958, destijds in voorbeeldig Nederlands vertaald door Jan Hardenberg. Ze beslaan vijf delen – die ik zeker zal lezen als ze zo boeiend blijven als dit eerste deel. Al zijn de omstandigheden gewijzigd, ook jongere generaties zullen zich herkennen in de ervaringen van De Beauvoir.

Opgroeien is nu eenmaal per definitie moeilijk. Een rasschrijver als De Beauvoir laat je dat goed voelen doordat ze zichzelf op de snijtafel durft te leggen.

Later zou haar het verwijt treffen dat ze haar relatie met Sartre geromantiseerd had, maar daarvan is in dit deel nog niets te merken – Sartre komt er pas tegen het einde in voor, als een veelbelovende nieuwe vriend in haar studietijd. „Van nu af aan neem ik je onder mijn hoede”, zei hij tegen haar. „In hem vond ik, maar nog sterker brandend, al mijn hartstochtelijke verlangens terug”, constateert zij.

Daarvoor beschrijft ze zichzelf als een jonge vrouw die soms wanhopig zoekt naar een manier om haar leven zin te geven. Er is een innerlijke tweespalt gaande, een zwalken tussen zelfverzekerdheid en zelfkritiek. Ze beseft al op school dat ze bijzondere kwaliteiten heeft: „Ik was ervan overtuigd dat ik iemand zou zijn, dat ik al iemand was, die buiten het alledaagse en gewone patroon viel.”

Maar tegelijk worstelt ze in sociaal opzicht met een laag zelfbeeld. „Ik kon niet glimlachen, ik had geen charme, was niet geestig en paste me moeilijk aan.” Ze vervloekt haar veeleisende ouders, het katholieke geloof en haar beroepskeuze. Het leraarschap geeft te weinig voldoening, ze wil schrijver worden. „Zij [de literatuur] zou me een onsterfelijkheid garanderen die een compensatie vormde voor de eeuwigheid die ik verloren had; er mocht dan geen God meer zijn die ik beminnen kon, maar ik zou miljoenen harten in vuur en vlam zetten.”

Haar wensdromen beletten haar niet om scherp op haar omgeving te letten. Haar waarnemingsvermogen en de eeuwige drang om te duiden en te analyseren bepalen de kwaliteit van deze memoires. Het culmineert in het schrijnende hoogtepunt van het boek: de tragische geschiedenis van haar vriendin Zaza, een minstens zo begaafde vrouw die ten onder gaat aan de eisen van haar conservatieve ouders; zij beletten haar een vrije partnerkeus.

Zaza, zou je kunnen zeggen, had niet de weerbaarheid van haar vriendin. In de slotzin van De Beauvoir klinkt dat besef bijna spijtig door: „We hadden samen gestreden tegen dat weerzinwekkende lot dat ons te wachten stond en ik heb heel lang gedacht en geloofd dat ik mijn vrijheid had gekocht met haar dood.”