‘We zijn net tweedehandsautoverkopers’

Kunsthandelaar Joris Visser is een van de twee Nederlandse deelnemers aan Parcours des Mondes in Parijs, de grootste etnograficabeurs ter wereld.

Er zijn twee soorten handelaren in tribale kunst, zegt Joris Visser: leunstoelantropologen en avonturiers. Met waardering spreekt Visser over de collega’s die in de binnenlanden van Afrika op zoek gaan naar dansmaskers en voorouderbeelden. Die op Papoea in een prauw de Lorentz-rivier opvaren om op expeditie te gaan. Of die in Nieuw-Zeeland de Maori opzoeken om daar traditionele tatoeages te laten zetten, om zo letterlijk aan den lijve ervaring op te doen met de traditionele gebruiken.

Visser heeft zelf nog nooit in situ etnografische kunst- en gebruiksvoorwerpen ingekocht. Hij is zelfs nooit in Afrika, Indonesië of Oceanië geweest. „Mijn kennis komt uit boeken en veel, heel veel kijken”, zegt hij.

Maar studeerkamer- of praktijkervaring, het zegt niks over de kwaliteit of status van een galerie. Visser is volgende week in Parijs één van de twee Nederlandse deelnemers aan het Parcours des Mondes, de belangrijkste etnograficabeurs ter wereld. Hij doet zelfs al voor de twaalfde keer mee en miste pas één editie van de beurs, die in de galeries in Saint-Germain-des-Près wordt gehouden.

Joris Visser (45) komt uit een geslacht van kunsthandelaren. Zijn overgrootvader was directeur van De Porceleyne Fles, de aardewerkfabriek in Delft. Zijn grootvader leidde een veilinghuis in Hilversum en zijn ouders handelden in tribale kunst. Zelf besloot Visser na een studie kunstgeschiedenis om bedrijfseconomie te gaan studeren, omdat hij genoeg had van „het geouwehoer over kunst” bij hem thuis. Maar toen hij in 1992 in de Amsterdamse galerie van zijn ouders ging helpen, kreeg hij toch de smaak te pakken. Niet veel later opende het familiebedrijf nog twee andere galeries in etnografica in Amsterdam.

Maar Nederland is geen echt goed land voor de handel in tribale kunst, constateerde Visser. „Voor een goede markt heb je concurrentie nodig. Die vind je alleen in Brussel en Parijs.” Hij verhuisde vijftien jaar geleden daarom naar Brussel, waar zijn galerie in de Rue van Moer omringd wordt door tientallen andere galeries in etnografica.

„Ik schaam me soms hoe makkelijk het is om kunsthandelaar te zijn”, zegt Visser. „Iedereen doet maar wat, we zijn allemaal een soort tweedehandsautoverkopers.” In een markt waar vertrouwen alles is en het aanbod van vervalsingen groot, zouden handelaren gezamenlijk veel meer garanties moeten bieden over de herkomst en echtheid van aangeboden voorwerpen, zegt Visser. „Kijk naar Tefaf en het Parcours des Mondes. Dankzij de ballotage en de keuringen is het vertrouwen van klanten in die evenementen groot. Daar trekt de branche profijt van.”

Het Parcours des Mondes mag met 67 deelnemers de belangrijkste etnograficabeurs ter wereld zijn, toch is het wat betreft importantie voor de handel een vierderangs verkoopkanaal, stelt Visser. „De toptoptopstukken, zeg alles boven het miljoen euro, worden ondershands verkocht op private sales. Daarvan zijn er misschien honderd per jaar, bij grote verzamelaars thuis, bij handelaren met een gesloten huis, bij de grote veilinghuizen. Dat zijn bijeenkomsten waar mensen als de prins van Qatar komen.”

Tweede verkoopkanaal zijn de veilingen bij Christie’s en Sotheby’s. Visser: „Enigszins gechargeerd: daar worden de topstukken aangeboden die op de private sales niet zijn verkocht.” Derde in rang zijn de twee grootste kunst- en antiekbeurzen ter wereld: Tefaf in Maastricht en de Biennale des Antiquaires in Parijs.

De vraagprijzen bij het Parcours des Mondes liggen hoger dan bij de Bruneaf en de Tribal Art Fair, de etnograficabeurzen die respectievelijk in juni in Brussel en in oktober in Amsterdam worden georganiseerd. Visser met een lach: „In Parijs koop je ook de kosten van Parijs.”

Op de openingsdag van de beurs in Amsterdam staan handelaren uit Brussel en Parijs zich elk jaar bij de entree te verdringen om als eerste te kunnen toeslaan. Hun inkoopprijzen gaan in Brussel twee tot drie over de kop, zegt Visser, in Parijs soms wel tien keer. En toch kan het later voor een verzamelaar uit Amsterdam lucratief zijn om de hoge prijs in Brussel of Parijs te betalen, zegt Visser. „De reputatie van een gevestigde handelaar is geld waard. Je koopt een mooie herkomst.”

Maar tribale kunst hoeft helemaal niet duur te zijn, zegt de handelaar. „Je moet openstaan voor nieuwe dingen. Verzamelaars willen allemaal hetzelfde hebben. Namelijk de stukken die in de belangrijkste boeken over etnografica staan afgebeeld. Maar je hebt duizenden stammen. Wie goed zoekt, vindt zoveel moois voor schappelijke bedragen.”