Neptonijn en vegakip, daar verdient Nederland ook geld mee

Nederlandse ‘filet americain’ is te koop in Portugal, ‘kipstukjes’ exporteren we naar de Verenigde Arabische Emiraten en ‘tonijn’ naar Zuid-Korea. De aanhalingstekens staan er met een reden: het gaat hier om vegetarische producten, gemaakt van peulvruchten als soja en lupine.

Nederlandse bedrijven lopen internationaal voorop bij de productie van vlees- en visvervangers en storten zich nu op de export. „Wij groeien internationaal heel sterk”, zegt commercieel manager Harold Rouweler van Vivera. Producten van het bedrijf, dat naar eigen zeggen marktleider in Nederland is, zijn te koop bij onder meer Albert Heijn, Plus, Jumbo en Dirk. Inmiddels is het onder zowel eigen merk als huismerk ook „door heel Europa” te krijgen.

Marketingpraatje

Dat Nederland koploper is heeft verschillende oorzaken, zegt Jeroen Willemsen, die brancheorganisatie Het Platform Nieuwe Eiwitproducten begon. In Nederland wordt al langer gesproken over de nadelen van grootschalige vleesproductie. En in 2009 gaf het kabinet aan dat Nederland binnen vijftien jaar koploper moet zijn qua verduurzaming van de voedselproductie, vleesvervangers zijn daarvan een voorbeeld.

In veel landen ontstaat nu pas de behoefte aan vleesalternatieven. Nederlandse bedrijven zijn goed gepositioneerd om die buitenlandse markt te veroveren, zegt analist food & agribusiness Albert Vernooij van de Rabobank. Ze hebben de kennis (het duurt even voor je een lekkere vleesvervanger produceert) en de productiecapaciteit, waardoor ze kunnen garanderen dat de vleesvervangers niet van dezelfde band rollen als de echte frikadellen.

Export is ook economisch gezien logisch. Vorig jaar besteedden Nederlanders volgens de Monitor Duurzaam Voedsel ruim 70 miljoen euro aan vleesvervangers. Evenveel als vorig jaar. „Het is lastig om de markt in Nederland nog te vergroten, dus voor stabiele groei moet je naar het buitenland.”

Een van de exporteurs is de in 2010 opgerichte De Vegetarische Slager: bekend van onder meer vegetarische Tonyn. Oprichter Jaap Korteweg levert aan België, Duitsland, Luxemburg, Frankrijk Spanje, Portugal en Zuid-Korea. „En ik krijg vrijwel wekelijks een buitenlandse delegatie op visite.”

Het bedrijf heeft fulltime twee chef-koks in dienst en producten van De Vegetarische Slager zijn te koop bij meer dan duizend verkooppunten. „Tot nu toe zijn we ieder jaar in omzet verdubbeld.”

Korteweg (die graag vlees at tot hij in 1997 de ruimingen bij de varkenspest zag) vindt zijn bedrijf „vrij uniek, omdat het bij ons echt voortkomt uit overtuiging”. „Bij veel anderen is het business en een marketingpraatje.” Rouweler van concurrent Vivera benadrukt juist niet zo van het actievoeren te zijn. „Ik wil niet groeien ten koste van vlees, maar omdat ik goede producten heb”. Daarom vindt hij de naam vleesvervanger ook niks. „Dat klinkt niet positief. We willen een alternatief zijn en noemen het liever plantaardige producten.”

‘Geen echte vervanger’

Internationaal gezien zijn de grootste concurrenten voor Nederlandse bedrijven Quorn (Brits) en Tivall (Israëlisch, onderdeel van Nestlé). Tot voor kort hoorde ook de Belgische sojaspecialist Alpro in dit rijtje, maar dit voorjaar werd SoFine Foods in Landgraaf – de tak die voeding produceert – verkocht aan het management en is het weer een zelfstandig Nederlands bedrijf. Algemeen directeur Bart Merkus zegt vooral naar België, Duitsland, Scandinavië en het Verenigd Koninkrijk te exporteren. Hij verwacht een stijgende vraag naar tofu en plantaardige producten. „Consumenten in Europa begrijpen steeds meer dat plantaardige voeding duidelijke duurzame voordelen heeft en ook hartstikke lekker kan zijn.” Onlangs constateerde de Consumentenbond bij een onderzoek van dertig vleesvervangers dat „vleesvervangers hun naam niet waarmaken” en dat geen enkele vleesvervanger de essentiële voedingstoffen uit vlees - eiwitten, ijzer en vitamine B12 - volledig vervangt. Zowel Rouweler als Korteweg vindt dat het artikel bij de testuitslag niet klopt.