Vergrijzing slaat toe in Venetië

Is de houdbaarheid bereikt van regisseurs als Peter Bogdanovich (75) en Larry Clark (71)? Met het werk van de meeste filmmakers gaat het bergafwaarts na hun 60ste.

Filmveteraan Larry Clark te midden van de hoofdrolspelers vanThe Smell of Us.

Met voetballers gaat het zo rond hun dertigste bergaf, terwijl wielrenners dan juist op hun top raken. Hoe zit het met filmregisseurs?

Die vraagt dringt zich op nu directeur Alberto Barbera zijn 71ste filmfestival van Venetië etaleert als een speelgrond voor „nieuwe gezichten en jong talent”. Zo maakt hij van de nood een deugd nu grote namen als David Fincher en Paul Thomas Anderson het relatief nieuwe festival van York boven het dure Lido verkozen.

Maar de „nieuwe gezichten” die dit jaar in Venetië opvallen, zijn aan de bejaarde kant en lang uit het zicht verdwenen – een ander soort nieuw. De 105-jarige Manoel de Oliveira komt met een korte film; voorts maakten Amerikaanse veteranen als Peter Bogdanovich (75, She’s Funny That Way), Barry Levinson (72, The Humbling), Joe Dante (68, Burying the Ex) en Larry Clark (71, The Smell of Us) hun opwachting.

Is hun uiterste houdbaarheid niet allang bereikt? Uitzonderingen daargelaten, gaat het na de 60ste verjaardag bergafwaarts met regisseurs, en na hun 70ste in versneld tempo. Een veteraan als Jean-Luc Godard (83) blijft productief, maar zijn necrologie zal over de jaren zestig gaan. Zoals de grijze eminenties in Venetië schitterden in de jaren zeventig, tachtig en negentig.

Regisseren is te zwaar voor veel senioren: continu gezag, besluitvaardigheid en zelfcontrole uitstralen in een heksenketel. Grote budgetten en op locatie filmen maakt het extra vermoeiend: Martin Scorsese (71) vertelde eerder dit jaar dat hij The Wolf of Wall Street lange tijd afhield omdat hij twijfelde of hij weken van cokehysterie, testosteron en gegil op de set fysiek nog wel aankon. Oudere regisseurs trekken zich net als Ingmar Bergman vaak terug op tv, studio en toneel. Zo kondigt Roman Polanski (81) al jaren het ene na het andere filmepos aan, – over Pompeii, de Dreyfussaffaire – maar eindigt hij met toneelfilms als Venus in Furs.

Tienerlichamen

Woody Allen (78) is een uniek geval: hij maakt nog elk jaar een speelfilm. Mogelijk juist omdat hij zichzelf niet erg serieus neemt, en films als een fijne zomervakantie ziet met zijn vaste crew en steracteurs die hun gang kunnen gaan. Zijn films ademen al zeker vijftien jaar gemakzucht. Springt een film erboven uit, zoals Blue Jasmine (2013), dan komt dat omdat een actrice als Cate Blanchett er onverwachts haar schouders onder zet. Verder geldt voor Allen de uitspraak van critica Pauline Kael: „Herhaling zonder ontwikkeling is verval.”

In Venetië bleken regisseur Barry Levinson (72) en Al Pacino (74) in hun tragikomedie The Humbling ook voor comfort te hebben gekozen: met lange tussenpozen nam Levinson de film op in zijn eigen huis in Connecticut. Dat noemde hij „guerrillafilmen”, hoewel zo’n aanpak juist allerminst dynamisch of riskant is. De beste jaren van Levinson, een wisselvallige regisseur, liggen tussen Rain Man (1988) en Wag the Dog (1997), maar met The Humbling, over de vernederingen van de ouderdom, scoort hij in elk geval een voldoende in Venetië.

Veel minder fris oogt Larry Clark (71), bekend van zijn fotoboeken en schandaalfilm Kids (1995), over een New York zonder volwassenen waar wrede, vage en onverschillige skaters nauwelijks legaal seks hebben en aids verspreiden. Anno 2014 zijn het in The Smell of Us Parijse skaters, verder blijkt in twintig jaar niets veranderd: gruizige beelden, garagepunk en verdorven, nihilistische jeugd.

Clark gaat het verwijt van exploitatie en kinderporno ditmaal frontaal te lijf door de tieners te confronteren met vieze oude tenenzuigers, zweetlikkers en okselsnuivers: de jeugd stort zich op de internetprostitutie. Maar zelf blijft hij geobsedeerd door languissante tienerlichamen, vanaf het kruis omhoog gefilmd. En het enige nieuwe wat we over de jeugd van tegenwoordig leren, is dat ze weer schaamhaar hebben.

Clark blijft gewoon doen wat hij altijd doet, en dat is een probleem: The New York Times stelde onlangs dat oudere regisseurs verpieteren als ze in hun comfortzone blijven. Uitzondering is Clint Eastwood (84), die na zijn zeventigste ijzersterke films maakte – Million Dollar Baby, Letters from Iwo Jima – waarin hij zijn grenzen bleef verleggen: eerste film met een heldin, eerste film in het Japans. „Doe je na je veertigste iets wat je niet bang maakt, dan is het ook niet de moeite waard”, zei in Venetië Alfonso Iñárritu, die na sombere films – Babel, Biutiful – met Birdman een komedie maakte.

Voor Peter Bogdanovich heeft dat genre juist geen geheimen: hij presenteerde in Venetië een klucht, She’s Funny That Way, die wel dertig jaar oud lijkt. Een overspelcarrousel in een New York waar alle vrouwen sletjes of zure harpijen zijn en mannen hoerenlopers of oude dwazen. Maar ondanks alle blondjes verstopt in badkamers en gooi-en-smijtwerk in restaurants werd er meer gelachen op Bogdanovich’ persconferentie dan in de bioscoop.

Met zijn boeken over oude leeuwen als Orson Welles, zijn encyclopedische filmkennis en zijn tragische leven heeft Bogdanovich veel krediet bij de pers, en ook bij jonge filmmakers als Wes Anderson en Noah Baumbach die zijn laatste film mogelijk maakten. Over Hollywood had Bogdanovich weinig aardigs te melden. „I don’t want to bite the hand that doesn’t feed me”, zei hij, waarna een elegante klaagzang over blockbusters en computereffecten volgde.

Hollywoodschandaal

Zelf was hij in 1971 een arrogante 31-jarige halfgod in het Nieuwe Hollywood van Scorsese, Coppola en Spielberg, die doorbrak met een elegie voor een Texaans stofdorp, The Last Picture Show. Maar na Paper Moon (1973) zakte Bogdanovich weg en They All Laughed (1981) was een implosie. Zijn minnares, hoofdrolspeler Dorothy Stratten, werd vlak na de opnames verkracht en vermoord door een jaloerse ex, waarna niemand de romkom wilde distribueren, Bogdanovich deed dat met eigen geld en ging failliet. Zeven jaar later werd hij een paria toen hij haar 20-jarige zusje Louise trouwde, die hij mede had opgevoed.

Bogdanovich’ laatste speelfilm, The Cat’s Meow in 2001, ging over een Hollywoodschandaal: de dood van producer Thomas H. Ince op de plezierboot van krantenmagnaat William Randolph Hearst. Voor tv maakt hij een film of de dubieuze verdrinking van actrice Natalie Wood. Schandalen zijn een ware obsessie, en geen wonder; She’s Funny that Way oogt daarentegen als roestige routine, oubollig en gewichtsloos als een late Woody Allen.

Leuk is de cameo van Quentin Tarantino (51). Hij beloofde in 2009 dat hij op zijn zestigste met pensioen gaat. Regisseurs doen het dan vaak alleen nog voor de hypotheek en de drie exen. „Je wordt niet beter, maar slechter.” De veteranenoogst van Venetië spreekt dat niet tegen.