Kippevel bij filmische Gurre-Lieder

Foto Ruth Walz

De huiveringwekkende oorlogszomer van 2014 weerspiegelt zich in de geënsceneerde wereldpremière van de Gurre-Lieder van Arnold Schönberg uit 1913, het jaar vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Aan het slot van het nachtelijke apocalyptische stuk met het telkens herhaalde ‘Onze tijd is om’, ‘Het graf roept’ en ‘Naar ’t graf’ lijkt de opkomende zon verlossing te brengen. Maar in de fascinerende en fantasierijke regie van Pierre Audi schuift over de zon een gitzwarte wolk die onheilspellende schaduwen vooruitwerpt.

De luid toegejuichte wereldpremière van het oratorium Gurre-Lieder als ‘opera’ is een evenement waarvan het belang nauwelijks is te overschatten. Met zijn immense orkestrale en vocale bezetting kan het in de historie van De Nederlandse (nu Nationale) Opera op één lijn worden gezet met uitzonderlijk repertoire als Schönbergs Moses und Aron (1995, regie Peter Stein, gedirigeerd door Pierre Boulez) en Messiaens Saint François d’Assise (2008), ook geënsceneerd door Pierre Audi.

Gurre-Lieder is een middeleeuwse mythe met laat-romantische muziek tussen Wagner (Tristan und Isolde, Der Ring des Nibelungen) en Mahler (de cantate Das klagende Lied en het extatische slot van de Achtste symfonie). De gelaagde vorm is modern en filmisch: losse scènes en flarden. Soms mystiek en sprookjesachtig, soms naïef-grotesk of absurdistisch, zodat het Pierre Audi herinnerde aan Endgame (1957) van Samuel Beckett. Audi past al die puzzelstukjes over liefde, moord en dood als vanzelfsprekend in elkaar.

Alles speelt zich met magisch naturalisme af in het verslonsde kasteel van Gurre, een ruimte die lijkt op het beladen schilderij Innenraum van Anselm Kiefer in het Amsterdamse Stedelijk Museum: Hitlers Rijkskanselarij. Het lange veeleisende liefdesduet tussen koning Waldemar (Burckhardt Fritz) en zijn minnares Tove (Emily Magee) klonk nog wat bevangen en bleek. De bedrogen Helvig neemt wraak en als de woudduif in de gestalte van een doodsengel (de imposante Anna Larsson) de dood van Tove meldt, staat de voorstelling definitief op scherp.

Waldemar vervloekt God, zijn gigantische spookleger is machteloos. Met de enorme expressiviteit van Fritz als zanger én als acteur verloedert hij in de Wet Horse Inn te midden van wonderlijke types als de Bauer (Markus Marquardt) en de Klaus Narr (Wolfgang Ablinger-Sperrhacke). Actrice Sunnyi Melles, prinses zu Sayn-Wittgenstein, is hier als geen ander op haar plaats als een verfijnd-cynische Sprecher.

Als de wind het verleden heeft weggeblazen, wordt het nachtelijke mysterie verdreven door een magistraal stralende zonsopgang. Beeldend, overweldigend, oog- en oorverblindend: steeds luider en alsmaar hoger klinkt de Strahlenlockenpracht.

Fantastisch en met kippeveleffect gerealiseerd door het koor van De Nationale Opera (met zonnebrillen!) en het uitstekende Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van de in deze Schönberg zeer ervaren Marc Albrecht.

Dan komt die zwarte wolk. Net als in Audi’s versie van Der Ring des Nibelungen is de conclusie: het kwaad is onuitroeibaar.