ECB-programma helpt Nederland niet

De ECB biedt banken extra middelen om bedrijven kredieten te geven. Niet nodig, zeggen zij. Het schort niet aan geld, maar aan goede plannen.

Kredietverlening Nederlandse banken neemt af

Zal het nieuwe leenprogramma van de Europese Centrale Bank (ECB) de Nederlandse economie uit het slop trekken? Het ontnuchterende antwoord: waarschijnlijk niet of nauwelijks. Zeker op korte termijn zullen geen effecten zichtbaar zijn.

Vooralsnog willen maar weinig Nederlandse banken gebruikmaken van de faciliteit. Banken die dat wel doen, wijzen op tal van onzekerheden. ABN Amro en ING waarschuwen dat van het programma geen wonderen moeten worden verwacht. „Het is niet onze verwachting dat de economie hier meteen een boost van zal krijgen”, aldus woordvoerder van ING.

De ECB nam deze zomer nieuwe maatregelen om de nog altijd kwakkelende Europese economie een impuls te geven. Het herstel hapert, ook in Nederland, en economen geven als belangrijke verklaring de gebrekkige kredietverlening door banken. Banken horen als smeerolie van de economie te werken, maar doen dat op dit moment onvoldoende. Door nagenoeg gratis geld te verstrekken (de rente bedraagt 0,25 procent, en de depositorente is zelfs negatief gemaakt), wil de ECB bereiken dat de kredietverlening aan met name bedrijven weer op gang komt.

De ECB eist ditmaal dat banken het geld ook écht gebruiken om kredieten mee te verstrekken. Targeted Longer-Term Refinancing Operations (TLTRO) heet het programma. De eerste betalingen moeten deze maand plaatsvinden.

Vorige week verstreek de deadline voor banken om zich aan te melden voor het programma. In Nederland deden slechts twee van de vier grote banken dat: ABN Amro en ING. Rabobank zegt voorlopig niet mee te doen, omdat beleggers dit als een teken van zwakte zouden kunnen beschouwen. Bovendien zou Rabo zelf over meer dan genoeg uit te lenen reserves beschikken. „Ik zou niet weten wat ik ermee zou moeten doen”, zei financieel bestuurder Bert Bruggink eerder.

SNS Reaal doet niet mee omdat zij juist minder geld wil uitlenen. De instelling werd begin vorig jaar genationaliseerd en wordt sindsdien in hoog tempo gereorganiseerd.

De twee Nederlandse banken willen geen uitspraken doen over de hoeveelheid geld die zij hebben aangevraagd. Daarover willen zij geen uitspraken doen. Naar verwachting gaat het gezamenlijk om enkele miljarden euro’s. Dat geld is in potentie allemaal beschikbaar voor Nederlandse bedrijven, kleine en grote.

Kwestie van kredietvraag

Maar er zijn verschillende ‘weglek-effecten’. Er moet vraag zijn van bedrijven, anders wordt het geld mogelijk in andere EU-landen uitgeleend. Zolang het binnen de eurozone blijft, mag dat. Dit geldt met name voor ING; ABN is voor 80 procent actief in Nederland. Kan het geld niet worden uitgeleend, dan gaat het terug naar de ECB.

ABN Amro en ING stellen dat niet zij, maar bedrijven doorslaggevend zullen zijn voor het succes. Banken claimen al langer dat de haperende kredietverlening geen kwestie is van aanbod, maar van vraag. Ondernemers willen of durven niet te investeren, ze zijn nog te onzeker over het economische klimaat. „Het is niet zo dat met deze operatie ineens een hoop geld de economie in wordt gepompt, waardoor alles beter wordt”, aldus de woordvoerder van ABN Amro. „Er moet wel vraag zijn”.

Die vraag moet ook ‘goed’ zijn, stellen de banken. De bedrijven moeten kredietwaardig zijn. „Het is niet zo dat, nu er straks een hoop geld op de plank ligt, iedereen die langskomt dat ook zomaar krijgt”, zegt de woordvoerder van ING. „We kijken nog net zo streng naar de kredietwaardigheid van klanten als vroeger.”

Zowel ABN Amro als ING hoopt dat de vraag naar krediet de komende tijd kan toenemen. Maar beide banken wijzen ook op allerlei economische en politieke onzekerheden. Het wereldwijde herstel verloopt niet vanzelf. De crises in Oekraïne, Syrië en Irak kunnen meer roet in het eten gooien.

Topman Gerrit Zalm van ABN Amro noemde het eerder een „burgerplicht” van zijn bank om aan het ECB-programma mee te doen. Voor het extra geld zou zijn bank het niet doen. Ze zou voorlopig genoeg middelen in huis hebben om kredietaanvragen te honoreren. „Maar we willen natuurlijk wel dat we ook straks genoeg kredietruimte hebben als de vraag eventueel aantrekt.” Tot die tijd geldt, zo benadrukt zijn woordvoeder: alle kleine beetjes helpen.