De energie van een raggende luit en broze snaren

Het Festival Oude Muziek biedt véél, maar geen dure sterren. Muzikaal gesproken treden er echter wel degelijk opmerkelijke persoonlijkheden op, zoals violist/dirigent Gunar Letzbor.

Ondanks Letzbors inspanningen (onder andere op cd) is de muziek van Vejvanovský (1633-1693) nog vrij onbekend, en Letzbor laat je in diens werken met overgave de opwinding van een echte ontdekking meebeleven. Hoe een kamerbezetting van fluisterende darmsnaarinstrumenten kan klinken als een volkse trekzak bijvoorbeeld – waarna je even later door een anti-ritmisch raggende luit vóór op je stoel wordt gedwongen.

In zijn ongedwongenheid lijkt Letzbor de antipode van Vacláv Luks, die met zijn ensemble het oratorium San Giovanni Nepomuceno ontstofte – een van de 4.500 niet alle even onmisbare werken van Caldara. Luks leidde het werk, vol plastische martelingen, met vuur, maar zijn lichte zangers bezaten niet allen solistische sprankelkracht.

Opwindender leek het latenightconcert van klavecimbelvirtuoos Skip Sempé met zijn uitmuntende ensemble Capriccio Stravagante, versterkt door vocaal mannenkwartet Profeti della quinta. Sempé en ensemble zorgden in dit ‘wonderkamer’-programma voor oorkrullende momenten, maar de matige kwaliteit van de zangers vormde daarmee een merkwaardig contrast. Naar zulke ‘verwondering’ zoekt niemand.