Opinie

Integreer, maar met mate

De westerse vrijheidsopvatting leidt tot een slappe moraal en een gebrek aan gemeenschapszin, betoogt Hakan Külcü.

In de trein hoorde ik een gesprek tussen drie Nederlandse meisjes van ongeveer achttien jaar. Ze praatten vooral over jongens. Op enig moment hoorde ik een van de meisjes iets zeggen waardoor ik mij weer eens geconfronteerd zag met de gespletenheid in mijzelf. De moderne westerse mens in mij botste met de traditioneel oosterse mens.

Het meisje riep: „Als je zestien bent, en je hebt nog altijd geen seks gehad, ben je écht een loser.” Lachend verliet het drietal de trein terwijl ik enigszins verbijsterd achterbleef. De verbijstering maakte plaats voor reflectie: hoe kan het, dat westerse meisjes ongegeneerd in een vol treinstel zo vrij over seks en zo neerbuigend over maagdelijkheid praten? Ik bedacht me dat als een oosters meisje dit hardop had gezegd in een treincoupé vol oosterse mensen, ze snel tot de orde zou zijn geroepen.

Wat moraal betreft kent de moderne mens slechts één regel: ‘leven en laten leven’

Mijn westerse ik zei dat er juridisch gezien niets mis was met het gedrag van het meisje. Dan moest er moreel toch ook niets mis mee zijn? En wie ben ik om daar iets van te vinden? Mijn oosterse ik bracht daar tegenin dat een cultuur die vrijheid als hoogste waarde in het vaandel draagt, in ontbinding geraakt. Een cultuur die in het teken van vrijheid staat, vergeet gemakkelijk de verplichting en de hogere idealen. Wordt vrijheid opgevat als ‘doen waar je zin in hebt’, dan leidt dat tot een slappe moraal en zwakke gemeenschapsbinding.

De moderne cultuur laat de teugels van de moraal vieren. Ze neemt daarmee op de koop toe dat massa’s mensen het leven vooral in het teken stellen van lichamelijke lusten en materiële hartstochten. De moderne mens neigt ernaar de ruime juridische vrijheden te vereenzelvigen met het moreel toelaatbare. Hij kan onbeschoftheid en onbeschaamdheid tot handelsmerk verheffen, om dit vervolgens met een verwijzing naar de meningsvrijheid te doen voorkomen als iets verhevens.

Eergevoel

Om eer en eergevoel geeft de moderne mens weinig. Hij volgt zijn eigen denken, is geëmancipeerd en zelfstandig (lees: niet gebonden aan een hechte gemeenschap). Wat de moraal betreft, kent hij slechts één regel: ‘leven en laten leven’. ‘Zolang je de ander niet schaadt’, zegt de moderne mens, ‘moet het allemaal kunnen’.

Ik ben gedeeltelijk tot deze moderne opvatting bekeerd. Gedeeltelijk, want ik volg liever de weg van de Perzische filosoof Rumi en de Griekse wijsgeer Aristoteles. Wij ontvangen van de moderne samenleving weliswaar de prachtige gift van het recht op vrijheid, maar krijgen daarbij geen inhoudelijk antwoord op de vraag hoe we er edel invulling aan moeten geven. De principes uit de oosterse traditie – en die uit de oudere westerse traditie – geven daar wel antwoord op. Zij verheffen ons daarmee boven de al te menselijke neiging tot zelfzucht, gemakzucht en materialisme. Zij wijzen op het belang van zorg voor de innerlijke rust en orde van de ziel door karaktervorming. Zij wijzen op de spirituele menselijke behoeften. Zij wijzen op het belang van gedeelde waarden.

Die gedeelde morele waarden creëren een hechte gemeenschap waarin wij ons warm ingebed voelen. Die hechte gemeenschap vormt een drijfveer om te voldoen aan hogere idealen en vervult ons met trots als één van ons die idealen benadert.

Nu richt ik mij even tot de oosterse mens, waarvan men doorgaans verlangt dat hij verder integreert. In de woestijn van het modern individualisme vindt de oosterling de oase van gemeenschapszin binnen de familie, dernek (alevitische genootschap), moskee en verscheidene culturele centra. Ontferm u daarover, ook al zijn ze niet volmaakt. Verfijn en ontwikkel ze conform de rede en empathie. Omarm beslist de Nederlandse taal en vrijheid, maar integreer niet te ver door. Integratie en emancipatie leiden namelijk ook tot het uit elkaar vallen van hechte gemeenschappen en het verslappen van zedelijke idealen.

Aan alle vrouwen die het hogere ideaal nastreven om de seksuele lusten te temperen tot aan het huwelijk, zeg ik: jullie zijn geen ‘losers’.