Dat nieuwe delen is stelen

Het nieuwe aan Uber en Airbnb is dat ze veel geld vragen voor het koppelen, schrijft Arjen van Veelen.

Illustratie Nate Beeler

Als student hield ik van liften. Het was goedkoop, avontuurlijk en, denk ik nu, krankzinnig ouderwets. Ik bedoel niet dat je urenlang bij een stinkende oprit stond te wuiven met een verregend bordje ‘Parijs’, terwijl je ook toen al voor 19 euro met Easyjet naar Barcelona kon. Het was ouderwets omdat wildvreemden hun auto met je deelden zonder dat ze daar iets voor terug wilden.

Toen ik zelf een auto kreeg, nam ik me voor lifters op te pikken, maar ik zag ze nergens meer. Tegelijk met de lifter verdween ook de onbaatzuchtigheid. Online liftcentrales kregen geen voet aan de grond. Tot afgelopen jaar. Toen werden ‘meerij-apps’ als UberPop en Lyft populair. Die apps koppelen automobilisten aan lifters. De bedrijfjes zijn een voortvloeisel van de zogenaamde deel-economie: platforms die particulieren verbinden met particulieren. Andere bekende voorbeelden zijn logeer-app Airbnb of autoverhuur-app Snappcar.

De lifter hoeft niet langer langs de snelweg te bedelen. Je bestelt de chauffeur gewoon aan huis. Zowel chauffeur als passagier geven elkaar cijfers na elke rit. Zo bouw je reputaties op. Aldus maakte technologische innovatie een einde aan de nadelen van het liften (wachttijd, psychopaten), en tegelijk blijven de voordelen intact (diepe gesprekken voeren). Halleluja, nietwaar: meerij-apps als revival van het hippieliften, gefaciliteerd door moderne technologie.

Zo presenteren die liftbedrijfjes zich althans. Neem het Amerikaanse Lyft. Slogan: ‘Your friend with a car.’ Bij die filosofie hoort dat de klant, pardon, vriend, naast de chauffeur plaatsneemt, en niet achterin. Het past in de trend van het afgelopen decennium: verkopers poseerden als vrienden, vrienden werden verkopers. Zie Facebook, maar denk ook aan de Starbucks-medewerker die je voornaam op je koffiebeker schrijft.

Geen vriendschap, maar data-analyse, aldus de Berlijnse filosoof Byung-Chul Han vorig maand in Vrij Nederland. Hij had het over Wundercar, een Duitse variant van Lyft en UberPop. „Wundercar”, zei de filosoof, „laat zich erop voorstaan dat het de gemeenschapszin vergroot en dat tijdens de ritjes nieuwe vriendschappen ontstaan, maar in werkelijkheid gaat het hier om geld verdienen en goede beoordelingen krijgen zodat je de volgende keer in je vrije tijd onder het mom van gemeenschapszin weer wat extra zakcenten kunt opstrijken.”

Zo is het. De deel-economie, zei filosoof Han, heeft klassieke deugden als vriendelijkheid en gastvrijheid volledig gecommercialiseerd. Hij is niet de eerste die wees op het paradoxale van de term: het onbaatzuchtige ‘delen’, gekoppeld aan ‘economie’, geld verdienen.

Taxicentrale Uber is inmiddels achttien miljard dollar waard. Het bedrijf predikt het deel-economie-evangelie van de ‘micro-entrepeneur’: gewone mensen die als chauffeur wat extra verdienen. Maar ze zijn niet officieel in dienst. Ze kunnen zo hun werk verliezen. Uber kan zomaar de tarieven aanpassen.

Dat maakt de deel-economie feitelijk heel rechts, hoewel ze zich voordoet als progressief, milieuvriendelijk, kleinschalig, kortom links-idealistisch, aldus blogger Mike Bulajewski vorige maand in een inzichtelijk essay ‘The Cult of Sharing’. Hij citeerde het manifest van Airbnb, dat vol staat met quasi-idealistische blabla als: „You’re tapping into the universal human yearning to belong.” De waarde van Airbnb is al geschat op 10 miljard dollar. Maar het mag vooral niet over geld gaan. Wie protesteert tegen bedrijven als Uber, heet al snel een vijand van vooruitgang. „Digitale vernieuwingen, zoals deze apps, gaan niet meer weg”, zei eurocommissaris Neelie Kroes bijvoorbeeld eerder dit jaar. „We moeten ermee werken, en ze niet tegenwerken.”

Onzin. Je kunt voor technologische vernieuwing zijn, en toch tegen dit soort technomaffia. Het probleem is namelijk niet de techniek, maar de toepassing. Het enige innovatieve aan die deel-economiebedrijfjes is dat ze heel veel geld vragen voor het koppelen. Echte technologische vernieuwing zou zijn als de ‘middle man’ wordt overgeslagen. Maar bij Uber en Airbnb blijft juist veel geld aan de strijkstok hangen van de derde partij.

Dat maakt ze eerder ouderwets dan vernieuwend. Een econoom rekende onlangs in de The New York Times uit dat veel van die ‘micro-entrepeneurs’ onder het minimumloon werken. En er zijn ruim zeventien miljoen Amerikanen die op deze manier proberen rond te komen.

Deel-economie is steel-economie. Logisch dat het nieuwe liften zo graag meelift op oude hippie-idealen: het is een schaamlap. Lyft biedt je geen lift aan maar verkoopt je een taxirit, verzorgd door een onderbetaalde chauffeur, die elk moment werkloos kan zijn, maar die op cursus leerde om zijn klanten vriend te noemen.