Column

Wat minder vernederen en de conflicten nemen snel af

Opeens zag ik mijn opdracht voor me. Ik zou een woord vinden waarmee ik voor u alle wereldproblemen tegelijkertijd kon duiden. Het woord waarover Theo Nijland zingt, het verlossende woord ‘waarmee ik niet alleen mijn eigen moedeloze streven, maar ook dat van heel het ploeterende volk lucht zou kunnen geven.’

Het kwam dus maar goed uit dat ik al een tijdje kauwde op het woord ‘vernedering’. Hoe langer hoe meer raakte ik ervan overtuigd dat menselijke conflicten vooral voortkomen uit het gevoel te zijn vernederd, tekortgedaan, het gevoel niet te worden gezien en erkend, het diepe verlangen naar zelfbevestiging.

Al die hunkeringen botsen op elkaar. Voeg wat psychopathie toe. Een beetje roeren. Zie daar je sociale turbulentie.

Het was misschien geen verrassend nieuw inzicht, maar wel bruikbaar. Ik viste het deze zomer daarom dankbaar op uit mijn geheugen toen ik televisie zat te kijken. In het programma Zomergasten zag ik hoe een wiskundige inging op een oude tweedeling in de samenleving: die tussen de alfa’s en de bèta’s. Ze hield een pleidooi voor nerds, met ‘hun lichte voorkeur voor de bètakant van de wetenschap’, en dat bevlogen pleidooi viel goed bij de kijkers.

Geef ons meer wiskunde op de televisie, was de teneur van de commentaren. Liever de toegewijde uitleg van wiskundigen dan dat ijdele gezeur van kunstenaars. ‘Gezien de reacties hebben de mensen genoeg van al die alfa's op tv,’ concludeerde een zomergastenkijker. ‘Die hebben zo weinig werkelijk interessants te bieden, behalve hun eigen interessanterigheid.’ Kortom, er kwam zo veel ergernis los rondom ijdele kunstenaars dat ik op mijn beurt een conclusie trok. De zomergastenkijkers voelden zich vernederd door de kunst, dacht ik. De kijkers wisten zich niet gezien door kunst en kunstenaar.

De conclusie beviel me. Kijk, zei ik tegen mezelf, zo doe je aan duiding: je kijkt televisie en je komt met een bevinding. Het leek erop dat ik klaar was. U kunt zich dan ook voorstellen dat het een flinke streep door de rekening was toen ik een week later in datzelfde programma Zomergasten een filmpje zag over de Vlaamse schilder Sam Dillemans. In dat filmpje bezong de kunstenaar volop zijn eigen interessanterigheid.

Terwijl Dillemans in zijn schildersatelier om een bokszak heen danste, ging hij flink tekeer. Tegen iedereen. Ze. De mensen. ‘Bij alle mogelijkheden die we hebben is er zelden nog iemand die aan de kant van de weg naar een boom kijkt en zegt: „Ah, diejen boom! Prachtig. Diejen boom is prachtig.” Dat gebeurt niet meer.’ Ze, zei hij al boksend, houden zich louter bezig met stupiditeiten. En kijken ze naar kunst, dan kijken ze als een oude nicht. Spelen ze gitaar, dan stelt dat niets voor. De kunstenaars daarentegen…!

Het ingewikkelde was dat de zomergastenkijkers het dáár nu weer volledig mee eens waren. Een week eerder hadden ze nog genoeg van het dedain der kunstenaars. Nu waren ze weer helemaal pro dedain. Wat denken jullie, zomergastenkijkers, foeterde ik. Zou je een week of wat aan een eenmaal ingenomen standpunt kunnen vasthouden? Dat zou mijn opdracht tot duiding een stuk minder zwaar en zinloos maken.

In een poging de onderste steen boven te krijgen, keek ik de dagen daarna dan maar naar het programma RTL Late Night – ik keek nu echt naar álles wat bewoog – en zag daarin een fotografe te gast. ‘Mensen kijken niet meer’, zei ze. De kunstenaars daarentegen…!

Het was een optelsom van onzekerheden, krenkingen en claims op zelfbevestiging. De kunstenaar claimde angstig beter te zijn dan de mensen. ‘De mensen’ leken zich daardoor alleen vernederd te voelen zolang ze zichzelf mensen waanden. Zagen ze slechts de anderen als mensen, dan voelden ze zich door de kunstenaar in hun eigen dedain bevestigd. Iedereen keek op de ander neer en iedereen kwam tekort.

Al met al leek deze conflictbron verbazend veel op die andere conflictbronnen ter wereld. Inferioriteitsgevoelens die worden vermomd als superioriteitsgevoelens. In Nederland beweerde de kunstenaar dat alleen de kunstenaar nog ooit naar een boom kijkt. In Amerika sprak Louis Theroux met een beleefde raciste die alle mensen haatte die niet wit zijn, ‘omdat ze praten in een onverstaanbaar taaltje.’ In Rusland besloten mannen in deze eenentwintigste eeuw alsnog voor de tsaar te gaan strijden.

U hebt gelijk, ik overdrijf. Natuurlijk is er verschil tussen racisme en imperialisme enerzijds en het minachten van ‘mensen’ anderzijds. Maar in de grond is de denkrichting dezelfde. Misschien is het geen gek idee eens te beginnen in de redelijke kringen in Nederland en uit te zoeken hoe de zomergastkijker zich nu eigenlijk verhoudt tot de mensen. Doen we daarna de rest van de wereld.