Column

De lieve voetbalmakelaars

In de laatste uren voor de transferwindow sloot, dacht ik aan de spelersmakelaars, de handelaars met hun menselijke waar. Aan Mino Raiola, een gehaktbal met oogjes die zo uit een pan spaghetti leek te zijn gekropen, maar die ook met twee telefoons tegelijkertijd kon bellen.

Aan Barry Tjeertjes, actief in de marge van het betaald voetbal, over wie Fabian van der Poll zaterdag in nrc.next een geweldige reportage schreef.

En aan Humphrey Nijman, naast wie ik ooit in een toestel van SunExpress, een Turkse dochter van Lufthansa, naar Belek vloog, waar een aantal Nederlandse clubs overwinterde. Zijn methode: als een club een ton aan salaris wilde betalen, vroeg hij vier ton. „En dan komen we in het midden uit.”

Een paar stoelen verderop zat zijn handelswaar: drie onbekende internationals uit Costa Rica, die qua lengte net zo goed basketballers hadden kunnen zijn. Hij stelde me aan de spelers voor, ze gingen mee trainen bij ‘diverse clubs’.

„‘Smile!’ zeg ik dan tegen ze”, zei de makelaar, „want er zitten een paar tanden in waar je u tegen zegt.”

Het gebit was een essentieel onderdeel van de moderne voetballer.

„En ik kan je zeggen: bij deze jongens zit er geen gaatje in.”

Tegen een van zijn Costa Ricanen: „Show him your teeth.”

Het geheel maakte een verzorgde indruk.

Bij de douane maakte de zaakwaarnemer een scène bij het loket waar ze de verplichte inreisvisa voor Turkije verkochten.

Het kostte vijftien euro per speler, voor hem geen probleem, maar hij wilde een betaalbewijs zodat hij de onkosten later van de belasting kon aftrekken.

Een paar uur later reed ik met Louis Laros en Patrick van Diemen, die op reis waren namens spelersvakbond VVCS, naar het hotel waar Vitesse logeerde. Ze waren helemaal naar Turkije gekomen om ‘hun speler’ Davy Propper uit een ‘wakje’ te praten.

Onderweg klapte onze Turkse chauffeur in elkaar. Ademtekort.

„Ja en nu?” vroeg Patrick van Diemen toen we in de berm stonden.

„Davy wacht.”

De man werd opgelapt met water en aangespoord om vooral het gaspedaal in te drukken, er wachtte een voetballer.

In de lobby van het hotel zat Davy Propper achter een glas Fanta. De taxichauffeur werd in een stoel gezet.

„Ga maar lekker zitten”, zei Louis Laros, waarna hij zich met een bezorgd gezicht tot de voetballer wendde: „Davy, hoe is het met je kuit?”

„Goed”, zei Davy.

De opluchting was van de gezichten af te scheppen. Wat een lieve voetbalmakelaars, dacht ik toen.