Column

Liever machines dan toeristen?

Zwervend door Noord-Holland moest ik aan Wim Pijbes denken. „Amsterdam raakt vies, vuig en vol”, schreef de directeur van het Rijksmuseum vorige maand in deze krant. Dat trok aandacht, meer aandacht dan een artikel drie jaar geleden van dezelfde strekking in Het Parool. Pijbes riep ook nu op tot meer dienstbaarheid tegenover de groeiende stroom (cultuur)toeristen die Amsterdam aandoet.

Wandelend door het Waterland, afhankelijk van openbaar vervoer, was ik een paar weken ook toerist. Wat ervaart een toerist in eigen land?

Het hoogtepunt van surrealisme was de stoptrein van Amsterdam CS naar Heiloo. Ik waande me in de metro in Tokio. Zo veel Japanse gezichten. Even Lost in translation, de film over de Amerikaan in Tokio die niet aan het tijd- en cultuurverschil kan wennen. Wat zochten de toeristen hier?

Deze trein doet station Koog-Zaandijk aan. Vandaar is het tien minuten naar de Zaanse Schans.

De trein is een sprinter, een curieuze naam voor een stoptrein. Het elektronische informatiepaneel werkt niet. Dat lijkt de Japanners met hun iPhones niet te deren. Na Zaandam komt het informatiepaneel tot leven, maar met foute informatie. De conducteur loopt door de trein, maar controleert geen kaartjes. Koog-Zaandijk is het enige station dat in de trein wordt omgeroepen. De coupés stromen leeg.

Op het perron zie ik de toeristen zoeken. Waar is de uitgang? Rechts? Of toch links? Nee, de uitgang is een grijs gat in de grond. In het weinige licht lijkt het alsof er beneden water in staat. Nu waan ik me in Detroit. Stad failliet. Ik wenk naar de toeristen bovenaan de trap. Hierheen. Eenmaal buiten wijst een gemarkeerde route naar de Zaansche Schans. Piekfijn.

Was Pijbes nog te mild? Op Amsterdam CS zag ik al de vertwijfeling en wanorde rond de kaartjesautomaten, en twee NS-medewerkers die probeerden om de toeristen wegwijs te maken. Columnist S. Montag vroeg zich ooit af hoe toeristen in staat waren een kaartje te kopen voor ons openbaar vervoer. Zó ingewikkeld. Toen heerste de strippenkaart. Nu is het papier afgeschaft. Nederland is digitaal. Lekker modern. Maar wie zou de toeristen informeren?

Een paar dagen later staan de automaten centraal in de Parool-rubriek over de publieke ruimte. Twee citaten. „Buitenlanders snappen er weinig van. Nergens op het station is een bord of folder te vinden met informatie over de nieuwe ov-kaart, al helemaal niet in een andere taal.” En: „Het valt op dat de NS nauwelijks iets doet om internationale reizigers te helpen. Borden spreken louter Nederlands, net zoals folders en omroepberichten.”

Weer een paar dagen later snaai ik een Volkskrant mee uit een eersteklascoupé. Een ingezonden lezersbrief. Titel: De afschaffing van de dienstbare mens. Aanleiding: het NS-automatenoffensief. Over hoe de „steeds kwetsbaardere onderkant” van de arbeidsmarkt wordt vervangen door de „eenzame zelfredzaamheid met plastic kaartjes en automaten, waartoe de consument wordt gedwongen”.

Maar dan... het beste nieuws. Het Stedelijk Museum vervangt de machines die het kaartje controleren. Mensen gaan het weer doen. Zo moet het. Vergeet die robots.

Laat mensen het opknappen. Op Schiphol, in de musea, bij de NS. Sloop op Amsterdam CS dat automatenhoekje vol vertwijfelde toeristen. Timmer daar een balie en verkoop kaartjes. Exclusief voor toeristen. Met twee opties: Schiphol en de rest van Nederland.

Tooeristen zijn net mensen. Ze worden liever ontvangen door andere mensen. Niet door machines.