Koele observaties van mistroostige spionnen

Na drie speelfilms begint zich een rode draad af te tekenen in het filmoeuvre van fotograaf Anton Corbijn: het zijn allemaal portretten van gedreven, soms zelfs geobsedeerde en contactgestoorde mannen. In de John le Carré-verfilming A Most Wanted Man zelfs twee: überspion Günther Bachmann (een van de laatste rollen van de dit jaar overleden acteur Philip Seymour Hofman) en zijn prooi: de vermeende Tsjetsjeense moslimterrorist Issa Karpov.

Van John le Carré weten we dat zijn verhalen de laatste jaren steeds politieker zijn geworden. Reden voor de Engelse krant The Guardian om het boek „een van de meest geraffineerde reacties in fictie op de oorlog tegen het terrorisme tot nu toe” te noemen. Dat is Corbijns film niet geworden. En wie er, ook op grond van Le Carré’s boek met die reden naartoe gaat, loopt het risico tamelijk ‘underwhelmed’ om het op z’n Brits te zeggen weer naar buiten komt.

De trailer van A Most Wanted Man.

Net als in zijn eerdere films ligt Corbijns kracht in de observatie: zijn oog voor detail. En in de mistroostige wereld van de post-9/11-spionage voelt hij niet eens meer de behoefte om wat hij ziet mooier of esthetisch aantrekkelijker te fotograferen dan het is. De film ontrafelt koel en systematisch de machinaties van een contraterroristisch complot in Hamburg, de stad waar de islamitische haatpredikers de daders van de aanslagen op de Twin Towers ophitsten tot hun daden. Maar Hamburg is niet meer het centrum van de wereld, maar een laatste haven voor de uitgerangeerde Bachmann, die graag nog één grote vangst wil doen.

Corbijns A Most Wanted Man is een ouderwetse spionagefilm. Maar dan zonder moraal. Iedereen is corrupt. Geheime diensten zijn zelfvoorzienende systemen geworden. In zo’n kille, afstandelijke wereld heb je wel een acteur van het kaliber Philip Seymour Hoffman nodig om je ervan te overtuigen dat het op psychologisch niveau allemaal nog net ietsjes ingewikkelder in elkaar zit.