Het Einsteinmuseum

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘Einstein, museum?”, vraagt de Chinese man me plompverloren. Ik schrik op uit mijn mijmeringen. Het is een van de laatste mooie zomerdagen. De campus van de universiteit broeit onder de felle zon.

„Einstein, waar?”, zegt de man, nu ongeduldig. Zweetdruppeltjes parelen op zijn voorhoofd.

„Sorry, geen museum”, zeg ik.

Hij is zojuist uit een van de vele touringcars gestapt die Princeton aandoen als tussenstop tussen Philadelphia en New York City. Een eindje verderop staat de reisleider, een kordaat meisje dat een rood vlaggetje omhooghoudt. De groep mag een foto maken van Nassau Hall, de torentjes op de campus bewonderen, en dan snel de hoogste nood ledigen. Het gros steekt de straat over om in de rij voor de wc’s van Starbucks te gaan staan. Deze man is blijkbaar wat avontuurlijker en wil meer.

Einsteins geest waart hier overal rond en zijn formules worden elke dag gebruikt, maar er is weinig tastbaars van de man zelf te vinden. De enkele buste moet je echt weten te vinden. Er is geen bezoekerscentrum dat je op weg helpt. Princeton doet niet aan persoonsverheerlijking. Zijn wc-pot is zelfs officieel vernietigd, en om daar geen twijfel over te laten bestaan is dat op film vastgelegd. Er staan meubelstukken in depot, wachtend op restauratie, maar niemand maakt daar haast mee. In zijn kantoor werkt nu een wiskundige die zijn boeken in dezelfde boekenkast heeft gezet en op hetzelfde schoolbord formules kalkt.

Einstein zelf was bang dat zijn graf een bedevaartsoord zou worden en stond erop dat het geheim moest blijven waar zijn as is uitgestrooid. Een teleurstelling voor de nieuwsgierigen die dagelijks over het kerkhof struinen op zoek naar zijn steen.

Deze man blijft echter aandringen. Hij snapt niet dat er nergens een bordje staat met Einsteinmuseum en een grote pijl om de richting aan te geven. Hij gelooft me gewoon niet. „Oké”, zeg ik, „daar”, en ik wijs naar de overkant. Landau Wool staat op de winkel.

„Winkel?”, zegt hij.

„Nee, museum”, antwoord ik.

Nauwelijks overtuigd steekt de man de straat over. Landau is een degelijke kledingzaak, die al sinds jaar en dag scheerwollen truien verkoopt. Eigenaar Robert Landau heeft nooit begrepen dat Princeton niets doet met de persoon Einstein. In zijn ogen is de wetenschapper een geweldige toeristenattractie. Na jaren vergeefs pleiten voor een museum, is hij er zelf maar een begonnen. Achterin zijn winkel, tussen de sjaals en mutsen.

Aan de muur hangen handgeschreven kattebelletjes van en aan Einstein. Bijvoorbeeld een brief van een loodgietersbedrijf met het verzoek zijn naam te mogen gebruiken. Daarnaast zijn antwoord: als hij geen wetenschapper was geworden, had hij graag als loodgieter gewerkt. Er hangt een brief van een meisje van zes dat hem adviseert zijn haar te laten knippen, zodat hij er beter uitziet. Verder de overbekende poster van Einstein die zijn tong uitsteekt, en een boekje met aan hem toegekende citaten. Landau is een stoffige einzelgänger, die het liefst op zijn kantoortje de boekhouding bijwerkt, maar op verzoek verandert hij in een enthousiaste museumgids.

Achter de kassa hangt een levensgrote foto van Einstein in een van de wollen truien waarin je hem kon uittekenen. Gekocht bij Landau staat eronder.

Even later zie ik de man weer lopen, op weg naar de reisleidster die naast het vlaggetje nu ook een parasol omhooghoudt tegen de brandende zon.

Hij draagt een dikke trui. Einsteins trui.