Column

God en Oranje

De klacht in deze krant van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) dat de koning weinig over God spreekt, heeft wenkbrauwen doen fronsen: is dat nog wel van deze tijd? Maar niet bij mij, omdat ik begin jaren zestig een Lagere school met de Bijbel heb bezocht. Dus weet ik wat eraan schort: de rechtzinnige flank van het protestantse volksdeel is van mening dat Nederland in de grond een protestantse natie is, of moet zijn, met de Oranjes als hoeders van deze nationale karaktertrek.

De PKN – fusie van Nederlands Hervormde, Gereformeerde en Evangelisch-Lutherse kerken – kijkt wel mooi uit dat duidelijk te zeggen – de visie wordt ook niet door iedereen gedeeld. De klacht aan ’s konings adres was dan ook verpakt in uiterst vage termen, alsof de vorst een algemeen gebrek aan beschouwelijkheid voor de voeten werd geworpen.

De gedachte aan Nederland als protestantse natie vindt zijn oorsprong in de interpretatie van de Tachtigjarige Oorlog, fundament van onze onafhankelijkheid. Al eeuwen bestaat er in Nederland verschil van mening over de vraag waar het bij de Opstand tegen Spanje nu precies om draaide. Verdediging van de door het Spaanse katholieke regime bestreden Reformatie? Of eerder behoud van regionale rechten tegenover een Spaanse overheid die gecentraliseerd bestuur en dito belastingen invoerde?

Beide vermoedelijk – maar mijn ernstig gereformeerde lagere school ging met kracht voor de eerste optie. Daarbij werd de eerste aanvoerder van de Opstand, Willem van Oranje, gemakshalve als vurig calvinist voorgesteld. De verbondenheid van Reformatie en Oranje was ook voor later eeuwen het interpretatiekader – vaderlandse geschiedenis was heel belangrijk op een School met de Bijbel.

Het merkwaardige is natuurlijk dat de Oranjes, vaak meer bezig met macht dan met theologie, zich meestal weinig gelegen lieten liggen aan de principiële protestantse Oranje-liefde. Koning Willem I zag ervan af de Nederlands Hervormde Kerk tot staatskerk te maken, omdat hij ook over de veelal roomse Belgen wilde regeren. Koning Willem III toonde, louter uit dépit over de constitutionele inperking van zijn macht, sympathie voor de Aprilbeweging van 1853, maar stak verder geen vinger uit om de roomse emancipatie een halt toe te roepen. In koninklijke uitlatingen is de calvinistische leerstelligheid meestal vér te zoeken – zie de New Age-kersttoespraken van Juliana.

Af en toe geeft het koningshuis symbolisch blijk van verbondenheid met het protestantisme. Tijdens koninklijke kerkdiensten klinkt soms een Franstalig gezang, want de Waalse kerk was onderdeel van de Nederlands Hervormde. Máxima moest bij haar huwelijk beloven grondig studie te maken van de Reformatie – bleek uit toelichtingen op de toestemmingswet. Die studie heeft tot op heden niet tot bekering geleid.

Het blijft dus een beetje tobben tussen protestantisme en koningshuis. Later deze maand woont het vorstenpaar de viering van tien jaar PKN bij. De gepubliceerde orde van dienst van de bijeenkomst wekt niet de indruk dat de koning er het woord zal voeren. Weer geen God.