Een Don Quichot die standbeelden aanvalt: ‘Fuck! Sokkels’

Honderden kunstenaars studeerden weer af deze zomer. Wie springt eruit? Vandaag als laatste in deze serie: Niels Goos van St. Joost in Breda.

Papegaai van Niels Goos.

Niels Goos heeft op de examenexpositie van St. Joost in Breda zijn deel van een klaslokaal ingericht als installatie. Op een minischermpje laat een man zich in zijn gezicht plassen. Op een grafsteen projecteert een diaprojector losse woorden uit een door Goos geschreven gedicht: zoals „figurant”, „bij” en „kannibaal”. Een tv-monitor laat rondrennende verstandelijk gehandicapten met protestborden zien. En – een hoogtepunt – boven een kinderlijke tekening van een papegaai staat de handgeschreven tekst: „Ik denk dus ik ben”.

Niel Goos heeft veel te vertellen. Zo veel dat op de installatie ook nog een meterhoge stang staat waaraan hij tientallen schetsen heeft gespietst. Op een flyer heeft hij zichzelf getekend als een gans – „Niels” staat eronder – die naar twee hoofdloze lichamen kijkt. „Weet ik niet”, staat daaronder. Met viltstift heeft hij op een raam van het lokaal „Verbaal dichten” geschreven.

„Ik noem mijn werk meestal assemblages”, zegt Niels Goos (25). „Ze vertegenwoordigen allemaal een ander concentratiepunt of ingeving.”

Zo’n ingeving bestaat bijvoorbeeld uit twee op de muur getekende letters A waarop hij een tafelblad heeft getekend en daaronder de woorden „AA-ScHAAG”. Goos legt uit: „Schraag kan een woord zijn, of een tekening. Ik wil het object onderuithalen, of het zo verrijken dat het geen schraag meer is, maar een letter wordt.”

Via een koptelefoon is te horen wat de verstandelijk gehandicapten roepen in de film op het tv-scherm. „Ik wilde eigenlijk een videoclip opnemen waarin ze de tekst „Art in art is art as art” zouden zingen”, zegt Goos. „Want net als kunstenaars leven verstandelijk gehandicapten in een eigen wereld. Op een educatieve manier leg ik uit wat kunst is. Dat je voor of tegen de kunst kan zijn. En wat voor emoties er in de kunst zijn.”

Maar de verstandelijk gehandicapten, allemaal acteurs overigens, gingen als groep met zijn art-kreet aan de haal. Ze verhaspelen het tot bijvoorbeeld „art as art”, „art from art”, „art on art”, „art of art”. Dat klinkt diep, maar zoals vaker in de kunst is het maar de vraag of het echt iets betekent. Goos: „Na een uur zijn ze uitgeput en willen de zin niet meer uitspreken.”

In een boekje heeft Goos zichzelf als een Don Quichot met paard en lans getekend die geen windmolens, maar hoge voetstukken van standbeelden aanvalt. „Fuck! Sokkels”, zegt de ridder in het onderschrift. Op de achterkant van het boekje noemt Goos zich „de misfit van het gedrocht, van de onmisbare taal. De taal van corruptie om het fatsoenlijke te praten.”

Maar waarom tekent hij met simpele zwarte lijntjes een glas met water en noemt dat „Glas-museum”? Goos legt het uit in het boekje: „Ik tracht om mijn waarheid zichtbaar te maken. Het creëren van een eigen oorspronkelijkheid van de taal en van de interpretatie. Ik ben het Lijkend Voorwerp.”

Dat begrip Lijkend Voorwerp is de titel van zijn scriptie, zegt Niels Goos. „Die gaat over mij en hoe ik dingen interpreteer. Ze is in twee versies verschenen: één die helemaal is gecorrigeerd en één zonder taalpolitie en waarin ik alles los kan laten.”