Brandend vet en daar dan wat bier overheen

Vooral studenten in Delft en Groningen doen het: woofen of foepen. Het bestaat uit het maken van een steekvlam die maar een paar seconden duurt. Hoe hoger de vlam, hoe geslaagder de foep. Bij de Delftsche Zwervers is nog nooit iemand gewond geraakt.

De gezichten rond het kampvuur hebben een gouden glans. Biertje, knakworstje, muziekje. Sissende geluiden uit een kokend pannetje frituurvet, dat midden in de vlam staat.

We zijn bij studentenvereniging de Delftsche Zwervers. Een brede jongen met ovenhandschoenen aan loopt naar het vuur. In zijn handen een lange stok met daaraan een felgroene soeplepel vastgebonden. Hij verheft zijn stem: „Mensen die hun beenharen willen epileren, mogen blijven zitten. Zo niet, dan zou ik nu afstand nemen als ik jou was.” De meesten verroeren zich niet.

De jongen giet water in de soeplepel en gooit dat razendsnel op het vuur. Gevolg: een zes meter hoge vuurbal, die na een paar seconden weer verdwijnt. Vrouwenkreetjes, gegiechel en achteruitdeinzende leden – die zijn nog nieuw.

Voor de oudere leden van de studentenvereniging is het vuurspelletje routine, blijkt uit hun teleurgestelde reacties: „Jammer, het was alweer geen paddestoelvorm”. Of: „Vorige keren was het echt veel hoger.”

De Delftsche Zwervers doen mee aan een studententrend die ‘woofen’ of ‘foepen’ wordt genoemd. Dat gaat zo: in een pannetje maak je vuur met een flinke scheut vet of olie. Daar twee bekertjes water of bier overheen en er verschijnt een reusachtige, kortdurende steekvlam. Dat komt doordat deeltjes uit het vet of de olie met het verdampende vocht omhooggaan.

Je doet het in de achtertuin, op de sociëteit of tijdens het kamperen

Hoewel woofen al zo’n twintig jaar bestaat, is het elk jaar opnieuw een rage. Vooral in Delft en Groningen. In achtertuinen, op de sociëteit of tijdens weekendjes kamperen. Hoe hoger de vlam, hoe geslaagder het woofen. Ontgroeningen staan er los van, het is puur voor de lol.

De standaardfoep mengt kaarsvet, water of bier en vuur. Een kleinere variant bestaat uit een lepel kaarsvet boven een vlammetje en daar bier overheen. En dan is er nog de megafoep: bruine teer in een vuurkorf, met een emmer vloeistof. Het liefst met alcohol, voor een extra hoge steekvlam.

Wat maakt woofen nou zo leuk? De Delftsche Zwervers noemen het „spectaculair” en vinden het leuk om te „laten zien aan nieuwe leden”, zegt voorzitter Sally Augustijn (21). Tijdens de introductieweek vorige week bijvoorbeeld. Sporen daarvan zijn nog te zien aan talloze zwartgeblakerde boomblaadjes, op zo’n acht meter hoogte boven het kampvuur.

Dat die bomen er überhaupt nog staan is een wonder. Sinds 2001 is het zo’n vijf keer per jaar tijd voor een nieuwe steekvlam, zegt Sally Augustijn. Absolute wooferkampioen is Marcel Biermans (24), daar is iedereen het over eens. Met dertig woofers op zijn naam staat hij bekend om de hoogste (twaalf meter) en beste steekvlammen ooit (met paddestoelvorm).

Een vlam hoger dan een huis

Het kan ook wel eens misgaan. In de achtertuin van een andere studentenvereniging was de vlam een keer zo hoog dat die boven het huis uitkwam. Een student: „Naast het huis liep een spoor. De machinist van een passerende trein zag midden in de nacht die enorme vuurbal, trok aan de noodrem en luidde een noodsignaal om de buurt te waarschuwen.”

In Groningen liep het nog verder uit de hand. Op een saaie dinsdagavond besloten tien studenten in een sociëteit uit verveling te gaan woofen. In een brandende open haard zetten ze een bak met kaarsen. Daar gooiden ze twee glazen water bij.

Een van de studenten die erbij was: „Een gigantische steekvlam trok via de muur over het plafond en ging bij de achtermuur weer naar beneden. Overal was vuur. Alle elektriciteit in het gebouw viel uit, de kabels waren compleet weggesmolten.” De brand verdween binnen een paar minuten. Niemand raakte gewond. Binnen no time werd de deur opengebroken en stonden tien volgepakte, gemaskerde brandweerlieden in het huis – voor niets.

Die zijn op z’n zachtst gezegd niet blij met de woofers. Volgens een woordvoerder van Brandweer Groningen zien mensen wel eens „grote steekvlammen” in de buurt. Dan bellen ze 112. En als de brandweer vervolgens komt, is het vuur dus al uit. „Studenten vinden het stoer, wij absoluut niet. Mensen die serieus in gevaar zijn, moeten soms onnodig wachten omdat wij bezet zijn.”

Doe het niet, zegt de brandweer

Om het foepen te stoppen, bezoekt de Groningse brandweer studentenhuizen met als advies: doe het niet. „Het is levensgevaarlijk. Huizen kunnen in brand vliegen, ook die van omwonenden. Mensen kunnen brandwonden of luchtwegproblemen krijgen.” In Delft weten de brandweerlieden ook dat er gefoept wordt, maar hoefden ze dit jaar en vorig jaar niet uit te rukken. Wel vertellen zij studenten over brandveiligheid, zoals tijdens de introductieweek in Delft.

Bij de Delftsche Zwervers raakte nog niemand gewond, de brandweer hoefde nooit te komen. Mensen verloren soms wat beenharen, meer niet. Topwoofer Marcel Biermans: „Wel probeerde ik het ooit met spiritus in plaats van water. Toen ging de vlam opzij in plaats van omhoog. Het was de beste foep ooit, maar dat was eens en nooit meer.”

Natuurlijk zijn ze zich bewust van de risico’s, maar de Delftsche Zwervers voelen zich altijd veilig bij wat ze doen. Sally Augustijn: „We zijn allemaal slimme studenten, dus we denken goed na over hoe we het doen. Je moet nuchter zijn, genoeg afstand nemen en altijd een brandblusser bij de steekvlam houden.”

Bij het kampvuur brandt ondertussen de bodem van het pannetje met frituurvet door. Een nieuwe woofronde zit er dus niet meer in. Geen paddenstoelvorm. Geen twaalf meter hoge vlam. Maar wel tevreden, ietwat geschrokken nieuwe leden, nog meer zwartgeblakerde blaadjes en popcorn boven het inmiddels minivlammetje.