Column

Vrouwen onderbetalen is iets anders dan hen nafluiten

Het is nuttig om over emancipatie te praten. Maar maak dan wel onderscheid tussen de verschillende problemen, vindt columnist Floor Rusman.

Met dank aan een man hebben we het weer over vrouwenemancipatie. Dat dit debat telkens opduikt, lijkt me nuttig. Maar wat me stoort is dat allerlei (vermeende) misstanden worden behandeld alsof het gaat om precies dezelfde problematiek.

Een voorbeeld was het opiniestuk van Renate van der Zee in deze krant afgelopen weekend. Ze benoemde een bonte collectie problemen: vrouwen worden lastiggevallen op straat, ze werken vaak parttime, ze verdienen minder dan mannen, ze zijn slecht vertegenwoordigd in leidinggevende functies, en onze maatschappij is geseksualiseerd.

Je zou een onderscheid kunnen maken tussen twee thema’s in Van der Zees betoog: de seksualisering van vrouwen en de ondergeschikte positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Van der Zee doet alsof die zaken samenhangen, maar dat lijkt me onzin. In de jaren zeventig, door Van der Zee bejubeld omdat vrouwen toen nog hun vrijheid vierden door ‘met een doorkijkblouse door de stad te lopen’, waren er nog veel minder vrouwen in topposities. In het linkse kabinet-Den Uyl zaten één vrouwelijke minister en nul vrouwelijke staatssecretarissen.

Maar ook binnen het onderdeel ‘vrouwen op de arbeidsmarkt’ worden verschillende zaken door elkaar geklutst. Dat veel vrouwen parttime werken, lijkt me bijvoorbeeld niet per definitie problematisch. Dat wordt het pas wanneer het niet vrijwillig gebeurt, bijvoorbeeld omdat de kinderopvang te duur is of omdat hun partner weigert minder te gaan werken.

Dat vrouwen 17 procent minder verdienen dan mannen noemt Van der Zee discriminerend, maar het ligt genuanceerder. Het is natuurlijk kwalijk dat vrouwen soms minder loon krijgen voor hetzelfde werk, maar daar gaat dit cijfer niet (alleen) over. Dit onderzoek berekende het gemiddelde loon van álle mannen en vrouwen (dus niet voor hetzelfde werk); het verschil wordt deels verklaard doordat vrouwen minder hoge posities hebben.

Dat er minder vrouwen zijn op topposities is weer een andere kwestie. Vooral van de top van het bedrijfsleven is bekend dat mannelijke eigenschappen er worden gewaardeerd boven vrouwelijke en dat mannen andere mannen aannemen. Hieruit blijkt dat er geen kansengelijkheid is voor mannen en vrouwen. Maar het zou best kunnen dat er bij volledige kansengelijkheid nog steeds minder vrouwen zijn op topposities, gewoon omdat ze daar minder zin in hebben. Is dat dan nog steeds erg?

Van der Zee eindigde haar artikel met de oproep dat ‘we er nú iets tegen moeten doen’. Wat we dan moeten doen (en wie dat moet doen) vermeldde ze niet. Logisch, want haar verhaal is te algemeen om te leiden tot één conclusie. Wie zegt dat we ‘iets’ moeten doen, moet eerst bepalen wat het probleem is en waar de verandering vandaan moet komen. Daarvoor is nodig dat de discussie concreter en preciezer wordt. Als we doen alsof straatintimidatie direct verband houdt met parttime werken, komen we nooit met een oplossing.