Ook in de oude muziek is een charismatisch leider essentieel

Breed aanbod aan ‘nieuwe’ oude muziek trekt veel publiek, maar niet elke herontdekking boeit.

Het Praagse Collegium 1704 opende vrijdag het Festival Oude Muziek Utrecht Foto Bram budel

Ruim dertig jaar bestaat het, het Festival Oude Muziek Utrecht. Van een pioniersfuifje werd het een internationaal festival met ruim 200 concerten in tien dagen. In publieksbereik (55.000 bezoekers in 2013) kan ‘Oude Muziek’ zich inmiddels meten met het Holland Festival (69.000 in datzelfde jaar). Sinds 2010 groeide de publieksaanwas zelfs met bijna 50 procent, waar de subsidie van OCW juist met 70 procent kromp. Met andere woorden: oude muziek is alive and kicking, maar moet als verinnerlijkt ‘niche’-festival onwennig hard roepen om zijn belang en grootte voor het voetlicht te krijgen, en daarvoor politieke steun te werven.

Deze 33ste editie is een sleuteljaar. Met het pas heropende megacomplex TivoliVredenburg is het festival na zeven jaar terug op de ‘oude’ plek. Het opende vrijdagavond daar, in de vertrouwde Grote Zaal, met traditioneel trompetgeschal vooraf. Maar waar de ceremoniële opmaat rondom de Dom vaak iets gewijds had, deed het hier – naast de vers zoevende roltrappen – wat curieus aan. Kerst in de Bijenkorf.

Akoestisch is het ‘Oude’ Vredenburg voor vocale barokmuziek een geweldige zaal, waarvan Artist-in-Residence Václav Luks (43) met zijn Collegium 1704 tijdens de ingetogen festivalopening volop profiteerde. Naast de degelijke en wat brave noten van Johann Joseph Fux verrasten in een mis van Frantisek Tuma (1704-1774) de wakkere kopersectie en een fraai kwartet van traversi met vrouwenstemmen. Luks houdt zijn kleine koor (18 man) en orkest strak aangelijnd, waardoor de ensembleklank gepolijst is, maar vrijheid en straalkracht niet overal tot bloei kunnen komen. Je vroeg je af wat, afgezien van de Boheemse connectie, de bonus is van ‘1704’ boven een Nederlandse topkoor of Collegium Vocale Gent. Anderzijds: ook voor uitvoerenden wil het festival de vinger aan de pols houden, en dat is te prijzen.

Festivaldirecteur Xavier Vandamme wees in zijn welkomstwoord op de veelheid van ontdekkingen die binnen de oude muziek nog in de toekomst liggen: zowel in repertoire als speelstijl.

Ook de rest van het weekend bracht inderdaad een stroom aan ‘nieuwe’ oude muziek van wisselende urgentie. Doordat het goed gekozen festivalthema ‘Habsburg’ zich niet op specifieke componisten maar op meer eeuwen hofmuziek en cultuurpolitiek richt, kregen weinig courante namen als Aufschnaiter, Frauenlob en Kerll een spotlicht. Het Tiburtina Ensemble viel zaterdag op met een conceptueel programma rond koning Wenceslaus anno 1300. De mix van gregoriaans, wereldlijke poëzie en volksmuziek was aanvankelijk van ontroerende eenvoud. Maar na een idyllisch Under den Linden van Walther von den Vogelweide met zacht harpgetwinkel, ging het beperkte palet toch vervelen.

Ook het ensemble Per-Sonat van sopraan Sabine Lutzenberger wist de spanningsboog geen uur vast te houden. Het programma rond Keizer Maximiliaan I had enerverend kunnen zijn, maar smoorde in vroom geneuzel. Meer werd verwacht van La Fontaine en countertenor Alex Potter: door blaasinstrumenten rijk omspeelde aria’s. Maar violiste Regula Keller toonde meer schwung dan de aanwezige fagot en trombones. En Potter heeft een prachtig ingetogen stem, maar kreeg in bescheidenheid de sloffende continuo niet altijd mee.

Kennelijk is ook in de oude muziek charismatisch leiderschap essentieel.

De onorthodoxe aanpak van Paul Van Nevel is voortdurend onderwerp van debat. Maar met zijn Huelgas Ensemble vertelt hij wél al veertig jaar boeiende verhalen, zoals nu rond Jacobus Gallus en diens detailrijke muziek.

De steeds wisselende opstelling, inclusief rondjes lopen in Homo quidem, gaf extra reliëf. Het alleluia in Ab Oriente bruiste als priklimonade. In Omnia vincit amor werd door Huelgas speels met medeklinkers gejongleerd, om de ironie van de tekst te benadrukken.

Gunar Letzbor waagde zich met Ars Antiqua Austria aan jongenssopranen. Dat klonk in royaal bezette muziek van Aufschnaiter en Biber verrassend goed: een breekbare engeltoon voegden de solisten van de St. Florianer Sängerknaben toe aan vonkende trompetten. Een ontdekking bleek bovendien Aufschnaiters Magnificat, fraai contrastrijk en met een glorieus resonerend slot.