Onderwijs verdeeld in sectoren is niet meer van deze tijd

Hoger onderwijs vraagt om een stelsel dat ontwikkelingen volgt in plaats van ze leidt, meent Jet Bussemaker.

Ieder mens houdt de grenzen van zijn eigen gezichtsveld voor de grenzen van de wereld, zei de filosoof Schopenhauer. Dat gold in zijn tijd, maar meer dan ooit geldt dat nu. Veel van onze systemen - de manier waarop we werken en denken, waarop we dingen doen en geregeld hebben - zijn ontstaan in een wereld die aan het verdwijnen is. En die in 2025 simpelweg niet meer zal bestaan.

Deze week meldt een nieuwe generatie studenten zich in de Nederlandse collegezalen. Deze ‘digital natives’, deze ‘grenzeloze generatie’, zal onderwijs verwachten dat hen motiveert en raakt. En dat hen de ruimte geeft om hun kennis en vaardigheden in te zetten voor vragen waarop we nog geen antwoord hebben.

We kunnen hun toekomst niet voorspellen. Maar we kunnen hen wel toerusten voor die toekomst. Door hen met het juiste gereedschap - een goede opleiding - de wereld in te sturen. In die wereld zijn globalisering, digitalisering en individualisering geen tijdelijke verschijnselen. Het zijn structurele veranderingen, die oude ordeningen aan het wankelen brengen.

We worden geconfronteerd met complexe problemen die meerdere oorzaken hebben, waardoor ook de oplossingen uit verschillende richtingen moeten komen. Als we, te midden van veranderende omstandigheden, willen verwezenlijken wat we waardevol en wenselijk vinden, dan zullen we sommige oude grenzen ter discussie moeten stellen.

We zien bijvoorbeeld in het Zwaartekrachtprogramma wat voor fantastische dingen er mogelijk zijn, als onderzoekers interdisciplinair samenwerken. Topwetenschappers in de immunologie en chemie verzamelen zich om een nieuw vakgebied te ontwikkelen, dat immuunziekten wil begrijpen en oplossen. En natuurkundigen en elektrotechnici ontwikkelen samen de technologie om zeven miljard mensen te verbinden met elkaar én met online kennis en informatie. Ook in de collegezalen – of gewoon vanaf de bank – kunnen studenten de grens over. Via MOOCs (online onderwijs) kunnen artsen in opleiding filosofiecolleges volgen op Harvard. En chemici een college kunstgeschiedenis in Singapore.

Ik denk daarom dat een scherp onderscheid tussen disciplines en sectoren niet meer van deze tijd is. En dat we de grenzen hiertussen moeten verkennen en verleggen, om nieuwe combinaties te maken van kennis, ideeën en talent, en om op te leiden voor banen die nu nog niet bestaan. Zestig jaar geleden hielden technische studies in zichzélf al de belofte voor de toekomst in. Maar in deze tijd beseffen we dat techniek gevoed en uitgedaagd wordt door andere disciplines en sectoren.

Ik denk dat het in het hoger onderwijs van de 21ste eeuw essentieel is, dat studenten – en ook docenten en onderzoekers – worden uitgedaagd om ‘te reiken naar de maan’. Juist het vermijden van risico’s is riskant, omdat we daarmee vernieuwing de pas afsnijden, leren blokkeren en innovatie verstikken. Gecontroleerd ruimte geven voor experiment en studenten de kans geven om te leren van mislukkingen – dát zou ik in het hoger onderwijs graag meer willen zien. Want er valt niets te ontdekken of te ontwikkelen, als we van tevoren de exacte uitkomst willen weten.

Onderwijs is te kostbaar om het niet goed te organiseren. We kunnen studieprestaties en kwaliteitszorg niet aan het toeval overlaten. Als we willen dat jonge mensen gevoel ontwikkelen voor hun rol in de samenleving, dan moeten ze ook de kans krijgen om te experimenteren en te leren van hun fouten. Te ervaren dat een onderneming kan mislukken, al was het idee nog zo goed. Of om te werken met een peperdure onderzoeksfaciliteit die niet alleen virtueel, maar écht kapot kan.

Als we werkelijk een lerende economie willen zijn, dan moeten we in gesprek durven gaan over hoger onderwijs dat letterlijk en figuurlijk nieuwe combinaties maakt. En dat om meer gaat dan om het ene juiste antwoord – maar juist om het verkennen van grenzen. Dat vraagt niet alleen wat van de instellingen, de docenten en de studenten. Het verkennen van de opdracht van het hoger onderwijs voor de komende jaren, vraagt ook responsiviteit en flexibiliteit van onze kant: van de politiek en het ministerie.

Die flexibiliteit zeg ik van mijn kant toe. Omdat ik denk dat bij toekomstbestendig hoger onderwijs een stelsel past dat volgt, in plaats van leidt. Afspraken en systemen, zoals accreditaties, zijn bedoeld als toetssteen: om transparant te maken of inspanningen bijdragen aan beter en uitdagender onderwijs. En ik denk dat het tijd is dat we teruggaan naar dat oorspronkelijke doel. Terug naar de kern van elkaar scherp houden, leren van elkaar en kritisch durven zijn.

Als we teruggaan naar die kern, komen we los van one-size-fits-all. En creëren we ruimte voor nieuwe combinaties, eigen onderwijsconcepten en bijzondere opleidingen. Maar ook voor creativiteit, academische vorming en ondernemerschap. En voor andere nieuwe inzichten die onze studenten helpen om zich voor te bereiden op een toekomst die we nog niet kennen.