Column

Het Apple Museum

In de Apple Store in Amsterdam overhandigde een jonge verkoper een nieuwe iPad aan een vrouw die, dat zag je zo, haar kranten liever gewoon op papier was blijven lezen. Broadsheetverdriet, of noem het vooruitgangsmelancholie. Nu had ze zich toch door haar zoon laten overhalen en zou ze voortaan zó haar kolommen lezen. Bah.

De verkoper zou dit nooit begrijpen. Die zwaaide de doos hysterisch heen en weer voor het gezicht van de vrouw. Ging er zelfs bij op zijn tenen staan, hij leek verdomme de goochelaar Hans Klok wel.

„En wát heb ik híer, mevrouw!? Wát heb ik híer?”

De vrouw, woedend nu: „En wat ben ík?” Toen luid: „BEN IK ZÉS!?”

Ik vertelde het voorval aan Marie en Klaas Rietsema. Zij, 73 en 74 jaar oud, zijn de oprichters van nota bene het eerste Apple Museum van Nederland. „Ik ben één keer in de Apple Store geweest”, zei Maria, „en ik kom er nooit meer.”

Het Apple Museum, mooi modern vormgegeven in eco-stijl, met het Apple-logo in onbewerkt hout tegen de gevel, staat gek genoeg midden in het monumentale Drentse dorp Orvelte („Een Belevenis”), waar mensen komen om oude boerderijen te bekijken, en een ‘authentiek’ snoepwinkeltje, een kaasmaker, een bakker die Drentse kniepertjes verkoopt. Daarna: de huifkartocht.

De Rietsema’s hadden vroeger een winkel voor woninginrichting in Pekela – overgenomen van Klaas zijn vader. Klaas kocht zijn eerste computer in 1978. De Apple II. Omdat hij geen geld voor een tweede had, bouwde hij die zelf na. Klaas Rietsema leerde zichzelf sindsdien iedere Apple-computer tot 2005 te repareren. Daarna maakte Apple het onmogelijk nog iets open te schroeven: „Vroeger zei je de computer wat jij wilde. Nu is het omgedraaid.” Hij liet de Apple II zien, en de Apple III, met een harddisk van 5 MB: „Paste één foto van je iPhone op.”

In het Apple Museum staan ruim tweehonderd oude Apples, door Klaas nog „machines” genoemd, of „beestje”. Bezoekers mogen overal aanzitten na een verplichte, individuele rondleiding door één van de gepensioneerde vrijwilligers. Sommige zijn wat hardhorend, maar hun oordeel steekt verfrissend af bij al het Apple-design („DE LISA II UIT 1985: EEN COMPLETE MISLUKKING”).

De collectie begon met een verzameling van een bevriende Apple-liefhebber uit Stadskanaal. Omdat hun generatie niets weggooit, en al helemaal geen Apple-computers, was er al snel een eerste museumpje in Ureterp, een gehucht bij Drachten. Toen het daar te klein werd verhuisden ze vorig jaar naar Orvelte. Zonder subsidie. Ze zijn een stichting en denken voor extra inkomsten aan scholen, bedrijfsuitjes, „IT-opleidingen”. Of zo’n modern repair café, zei Marie, al maakt Apple het zijn klanten dan al jaren zo moeilijk mogelijk nog iets zelf te repareren. Strijdbaar: „Maar ze kunnen niet eeuwig in die ivoren toren blijven zitten. Apple is niet meer voor de elite. Ze staan veel te ver van de mensen af.”

En jawel, voor de kassa stond intussen een flinke rij belangstellenden, in regenjoppers: „HOOR JE!?”, begon een vrijwilliger weer tegen zijn volgende bezoeker: „FLOP, FLOP! DAAROM HEETTEN ZE FLOPPIES!”