Knip de miskleun van het meesterwerk af

In zijn vijftiende boek brengt Verhulst twee novellen over kinderen, relaties, moord en zelfmoord samen in één kaft. Het eerste deel is het beste, het tweede deel het slechtste dat hij ooit schreef. Waar ligt dat aan?

foto NRC Fotodienst

Je kunt het knap vinden: een schrijver die erin slaagt om een van de beste dingen die hij ooit heeft geschreven in één kaft onder te brengen met de grootste miskleun uit zijn schrijverschap. Het is Dimitri Verhulst gelukt met zijn vijftiende boek.

Eerst het slechte nieuws. Het tweede deel (gelukkig iets korter dan het eerste deel) van het tweeluik waaruit Kaddisj voor een kut bestaat, heet ‘De aankomst in de bleke morgen’ en is vormgegeven als een toneeltekst waarin Sarah Smeekens, Stefaan Cools en een naamloze verteller aan het woord komen.

De reden: Sarah en Stefaan zijn op een koude januariochtend ingecheckt in een haveloos hotel en daar hebben zij hun beide kinderen vermoord. Eerst het meisje: ‘Haar moeder had haar gestikt, door een kussen op het gezichtje te leggen en er dan met haar volle gewicht op te zitten terwijl de teevee aanstond.’ Een paar dagen later het jongetje: ‘Hij was afgemaakt met een schaar, die de vader in zijn rug had geprikt terwijl de jongen op de veilige buik van zijn moeder lag, en in haar handen en billen kneep, en kneep, tot er niets meer te knijpen overbleef.’

Als de geweldsporno tot deze zinnen beperkt was gebleven, dan kon je misschien doen alsof je er overheen had gelezen. Maar de moord op het meisje wordt later tot in de details uit de doeken gedaan – het effectbejag bereikt een dieptepunt wanneer het jongetje probeert zijn ‘slapende’ zusje wakker te krijgen.

Beste prozatekst van 2014

Tja. Je zou kunnen hopen dat er ergens een hoger doel oprijst uit ‘De aankomst in de bleke morgen’, een doel waarvan de schrijver ten onrechte dacht dat het deze middelen zou heiligen. Maar uit het verhaal leren we niet veel meer dan dat Stefaan en Sarah ook maar arme sukkelaars zijn, die de wereld niet begrijpen en die ernstig beschadigd zijn door seksueel misbruik en jarenlang verblijf in een weeshuis. Voor zulke simplistische verbanden (het kwaad is banaal, ja ja!) hoeven geen romans geschreven te worden.

Er is ook goed nieuws, maar hoe langer je erover nadenkt, hoe meer je ervan overtuigd raakt dat het goede nieuws het slechte nieuws alleen maar slechter maakt. Want het eerste deel van het boek (een novelle met als titel ‘Kaddisj voor een kut’) confronteert je weer met de gedachte aan hoe sterk het boek had kunnen zijn. In ‘Kaddisj voor een kut’ zie je Verhulst op zijn best, misschien wel beter dan ooit: hij is scherp, empathisch en (ja, het kan dus wel) subtiel. Het is een van de beste Nederlandse prozateksten van 2014.

Zijn hand in haar pyjamabroek

Hoofdpersoon van het verhaal is een ‘instellingskind’, zoals Verhulst (1972) er zelf ook een was en de subtiliteit zit al dadelijk in de vorm. Verhulst schreef het relaas van de jongen in de ‘je-vorm’, waardoor de toon ontstaat van de oudere schrijver die zijn jongere ik toespreekt. Daardoor komt het relaas prettig ambigu tussen beschuldiging en apologie in te hangen.

Want ook boven dit verhaal hangt een schuldvraag: die naar de dood van het meisje Gianna, die een eind aan haar leven maakte. Zij was min of meer de vriendin van de hoofdpersoon.

Pijnlijk ontroerend is de seksscène in de eerste week dat Gianna in het tehuis is. Zij duikt ’s avonds op in de slaapkamer van de dan ongeveer zestienjarige hoofdpersoon en kruipt bij hem in bed. Verder doet ze niks. De jongen kan niets beters verzinnen dan zijn hand in haar pyjamabroek te steken, wat geen enkele aanmoediging oplevert. Maar ook geen afwijzing. Dus gaat hij maar door tot hij klaar is. ‘Daarna is ze zwijgend opgestaan en geruisloos naar haar eigen kamer weergekeerd.’

Gianna en de jongen vreeën daarna nooit meer, maar ze werden wel vrienden. Later realiseerde hij zich dat zij ‘een verleden van misbruik moest overleven’.

De massieve moederhaat

De seksscène is een van de elementen waarmee Verhulst de contouren van het schuldgevoel van de jongen schetst – er volgen nog een paar verwante scènes waarin de hoofdfiguur de dingen niet echt slecht, maar ook niet echt goed aanpakt. Het schuldgevoel dat hij over Gianna’s zelfmoord heeft, lijkt op zijn schaamte voor het feit dat hij het later wél gered heeft in het leven.

Daartussendoor staan rauwere stukken, bijvoorbeeld een geweldige scène waarin een vrouw haar kleuter bij de poort van het tehuis komt ‘inleveren’. ‘Ik kom mijn kleine hier afzetten, ik moet hem niet meer hebben.’ Verhulst, onderkoeld: ‘Die taal kenden jullie.’ Vervolgens moet een opvoeder uitleggen dat de instelling zo niet werkt, waarna de moeder het kind natuurlijk toch gewoon achterlaat.

Er zijn meer scènes in ‘Kaddisj voor een kut’ die verslag doen van de massieve moederhaat in Home Zonnekind – een ander thema dat Verhulst aanstipt zonder er het laatste woord over te spreken. Dan is er nog de beschrijving van de begrafenis van Gianna, waarin de weerzin van de je-figuur tegen de geestelijken en andere volwassenen niet verhindert dat de ceremonie een zekere schoonheid verwerft, en iets van religieuze allure.

Zo zijn de eerste 94 bladzijden van dit boek van een constante meerduidigheid, die er in het tweede deel vakkundig door Verhulst wordt uitgeramd.

Je zou een schaar willen pakken om het akelige aanhangsel met een paar bewegingen van de schitterende novelle te scheiden. Maar ja, dat is precies het soort effectbejag waarmee Verhulst zich bij het maken van Kaddisj voor een kut in de voet heeft geschoten – ons allemaal in de voet heeft geschoten.