Dat meten in kunst en wetenschap is krankzinnig

Net als wetenschap moet ook kunst het onbekende opzoeken. Al dat meten heeft niets met nieuwsgierigheid te maken, maar veel met angst, vindt Barbara Visser.

De Akademie van Kunsten bestaat bij de gratie van het verschil tussen onafhankelijke makers. Wij zoeken geen consensus: waar ik dus ‘wij’ zeg, is dat niet de mening van alle leden samen– sommige leden gruwen bij het idee van een gezamenlijk standpunt. Op dit moment ben ik degene die namens de Akademie spreekt, maar op persoonlijke titel.

1 Waarom moet alles gemeten?

De Akademie stelt zich tot doel de onafhankelijke positie van de kunstenaar te waarborgen. Het huidige marktdenken leidt ertoe dat alles aan dezelfde criteria onderworpen wordt: de meetbaarheid der dingen regeert.

Het meten van de wereld en van ons doen en laten neemt krankzinnige proporties aan. Dit heeft niets met echte nieuwsgierigheid te maken maar met de angst voor het onbeheersbare. Men meet om verantwoordelijkheid af te dekken, in plaats van die te nemen. In dat opzicht zitten kunst en wetenschap op één lijn. Bij beide is er de wil om je tot het onbekende te durven verhouden. Je moet creatief zijn om tot nieuwe inzichten te komen. Onderzoek is geen echt onderzoek als je al weet wat er uit komt.

Onderzoek en experiment hebben tegenwoordig de schijn tegen: je weet van tevoren niet wat het oplevert. Het is niet meetbaar of kwantificeerbaar. Zowel bij wetenschap als kunst is praktisch nut geen noodzaak, oorspronkelijkheid wel. Uiteindelijk ligt het belang niet in de meetbaarheid, maar in wat het betekent.

2 Hoe vertaal je kunst?

Als beeldend kunstenaar zijn er meer mensen die over mijn werk lezen of erover horen praten dan die het zien. Een vreemd verschijnsel. Het vertalen van complexe materie naar leesbare taal is een ongelofelijk moeilijk vak. Dat wordt te weinig onderkend. Er zou ook in de journalistiek naar helderheid en kennis gestreefd kunnen worden in plaats van simplificatie uit onbegrip.

3 Het verschil tussen kunst en cultuur

Het is onmogelijk om geen onderdeel te zijn van de cultuur van het land waarin je leeft. Je hoeft maar een zoute haring te bestellen of je zit er al middenin. De HEMA, bonte koeien, Deltawerken, Mondriaan, Marlene Dumas, of een ijzige politieke wind: het is allemaal cultuur. Kunstwerken kunnen onderdeel worden van onze cultuur, maar zijn dat op het moment dat ze gemaakt worden nog niet.

Voor de maker is enige afstand tot de cultuur cruciaal om zicht te hebben op wat zich afspeelt. De oproep aan de kunsten om juist meer onderdeel van de cultuur te worden , zal het zicht op de cultuur juist beperken. Het leidt tot middelmatige kunstwerken. De kunst zal slecht presteren, en mensen zien hun idee bevestigd dat kunst in een eigen universum leeft.

4 Nut en niet-nut in de kunst

Het nut van een goed ontwerp is concreet aanwijsbaar, een goed kunstwerk ontbreekt het aan een direct nut. Indirect heeft kunst wel degelijk nut. De politiek wil meer grip krijgen op die indirecte nuttige effecten. Maar kunst is geen toverstaf voor maatschappelijke problemen. Sectoren die het moeilijk hebben aan elkaar koppelen, zal weinig opleveren. Op commando presteert de kunst eigenlijk heel weinig.

5 Welke verbinding is zinvol, en welke niet?

Het klimaat in de kunsten verbeteren doe je niet door de kunsten op te leggen zich te verbinden met andere domeinen. Kunstenaars en wetenschappers benaderen de dingen op zo’n manier dat dwarsverbanden als vanzelf ontstaan. Wanneer kunstenaars de ruimte krijgen, dan zullen ze zich altijd verbinden met anderen, op welke wijze dan ook.

5 Wat te doen?

Een deel van de leden van de Akademie doet jaarlijks een voorstel de uitwisseling tussen kunst en een andere expertise te onderzoeken. Wat doet het perspectief van de ander met ons vak – en vice versa, waar en wanneer ontstaat iets, waar gaat het mis, wat is het plezier en de opgave tijdens het maken?

Het beeld dat wij alleen in glorieuze eindproducten grossieren, is beperkt. Er gaat vaak een proces aan vooraf, waarbinnen twijfel en enthousiasme de motor zijn. Als Gijs Scholten van Aschat Shakespeare speelt met leerlingen in het voortgezet onderwijs, dan is het de confrontatie tussen de gelauwerd acteur en de leerling die het spannend maakt. Ten tweede willen we de dialoog opzoeken met mensen en organisaties buiten de Akademie, alleen al omdat negentien leden een te klein aantal is om het onderling oneens te zijn. Ook internationale samenwerking is een uitgangspunt. Laten zien waar wij goed in zijn is één ding; kijken, luisteren en beïnvloed worden door anderen is ook van groot belang om onszelf te blijven ontwikkelen.

Ten derde willen we werken aan het ontwikkelen van een idee over kunst in het onderwijs. Kunst in het lager en middelbaar onderwijs zou moeten gaan over persoonlijke ontwikkeling via alle zintuigen, en niet om fröbelen op de vrijdagmiddag of een cultuurkaart afknippen.