Alice Munro’s oerboek

‘Ik geloof dat er iets in de levens van meisjes en vrouwen gaat veranderen’, zegt de moeder van Del, hoopvol maar ook belerend, tegen haar jonge dochter. ‘Echt. Maar we zullen het zelf moeten doen. Het enige wat vrouwen tot dusver hebben gehad, is hun relatie met een man. Verder niets. We hebben nooit een eigen leven gehad, wat dat betreft staan we op één lijn met het vee.’

Wanneer je je realiseert dat dit geschreven werd in 1971, en het boek zich afspeelt in de jaren veertig van de vorige eeuw, kan het in dubbele zin als een bijna profetische uitspraak gelden. De moeder van Del is dan ook een buitenbeentje in de plattelandswereld van Canada: ze verkoopt huis aan huis encyclopedieën en schrijft ingezonden stukken in het plaatselijke sufferdje.

Del wordt in haar coming of age heen en weer geslingerd tussen gêne voor wat haar moeder in de achterlijke omgeving oproept, en haar eigen ontdekkingen over het volwassen leven. Precies wat de titel belooft: dit gaat over vrouwen en meisjes; de mannen, zoals haar vader en Mr. Chamberlain, de minnaar van de inwonende Fern, en een protserige Amerikaanse oom, zijn lichtelijk belachelijk en/of incompetent en spelen bijrollen in het verhaal.

Je zou het Munro’s oer-boek kunnen noemen, waarin veel van de thema’s van haar latere werk terug te vinden zijn. Het is ook waarschijnlijk haar meest autobiografische werk, en het wordt dikwijls de enige roman genoemd van de Canadese winnares van de Nobelprijs voor Literatuur van 2013. Daar valt wat voor te zeggen: de acht verhalen rijgen zich chronologisch aaneen, ze zijn op zichzelf afgerond en vormen tezamen een al even afgerond geheel.

De sfeertekening is, met tal van anekdotes over het bizarre leven in deze uithoek, treffend genoeg, maar toch begint het boek pas echt tot leven te komen wanneer het portret van de moeder contouren krijgt; zij is degene die je, na lezing, meer bijblijft dan de vertelster. En toch is Dels worsteling met het geloof, en daarmee indirect met haar atheïstische moeder, minder boeiend verwoord dan haar ontluikende seksuele bewustzijn.

Maar vooral: wat een trefzeker en intelligent proza is dit. Munro heeft hier al de resolute, totaal onsentimentele toon die ze in haar latere werk zou perfectioneren. Het is zo meeslepend dat je af en toe over de mooie beelden (‘ronde, vochtige ogen, als toffees waarop je had gezogen’) dreigt heen te lezen. Vooral bij de heren op de radio die zingen alsof ze, ‘naar hun stemmen te oordelen, allemaal kleine puntbaardjes hadden’ kon ik me meteen veel voorstellen.