The Cut van taboedoorbrekende Fatih Akin is zeer nobele kitsch

“Kunst is het waard om voor te sterven.” De Duits-Turkse regisseur Fatih Akin (41) deed vandaag op zijn persconferentie na de film The Cut luchtig over doodsdreigingen.

Fatih Akin vandaag in Venetië. Foto EPA/Andrea Merola

“Kunst is het waard om voor te sterven.” De Duits-Turkse regisseur Fatih Akin (41) deed vandaag op zijn persconferentie na ‘The Cut’ luchtig over dooddreigingen. Turkse extremisten bedreigen hem met het lot van de Armeense activist Hrat Dink (wiki) in 2007: de dood dus. Geen verrassing voor Akin.

“Ik werk al zeven, acht jaar aan deze film, genoeg tijd om op zoiets te anticiperen.”

En, onheilspellend:

“Ik heb dit thema niet gekozen, ik heb het gevolgd, zoals een insect een licht.”

Strijd met Turkse taboes

The Cut, in competitie bij het 71ste filmfestival van Venetië, raakt een diep Turks taboe: de genocide van 1915 waarbij ten minste een miljoen Armeniërs omkwamen, christenen die toen als een vijfde colonne werden gezien. Met dodenmarsen, concentratiekampen in de Syrische woestijn en doodseskaders had Turkije zo een dubieuze primeur voor de 20ste eeuw. De Turkse overheid ontkent dat het een systematische slachting betrof.

Bekijk hieronder de Duitse trailer van The Cut:

Fatih Akin ging eerder Turkse taboes te lijf: zijn films Gegen die Wand (2004) en Auf die Andere Seite (2007) sneden subtiel en vrijmoedig de Turkse familiemoraal, homoseksualiteit, vrouwenrechten en politiek activisme aan. Hij ziet The Cut als sluitstuk van een Turkse trilogie, die hij ‘Liefde, Dood en de Duivel’ noemt.

De trailer van Gegen die Wand

Hooguit wat sepiafoto’s

The Cut is een groots, Engelstalig, meeslepend filmepos, waarin de smid Nazeret (Tahar Rahim) dwangarbeid en een massamoord met een IS-tintje overleeft, om na 1918 de halve aardbol over te reizen op zoek naar zijn tweelingdochters.

‘Crappy Hollywoodkitsch’, hoorde ik na afloop een collega zelfingenomen flitsanalyseren: hij mist het punt. De missie van Akin is een in de doofpot gestopte massamoord onder brede aandacht te brengen, dus niet via een serene arthousefilm. Documentairemaker Josuah Oppenheimer, niet meer veilig en welkom in Indonesië, stelt in Venetië de eveneens verzwegen pogrom op een half miljoen tot een miljoen ‘communisten’ in Indonesië in 1965 aan de orde met de prachtdocumentaire The Look of Silence. Maar Oppenheimer kan daders, slachtoffers en nabestaanden aan het woord laten. Fatih Akin heeft hooguit wat sepiafoto’s om het bloedbad ‘integer’ te dramatiseren.

De trailer van The Look of Silence:

Nobele kitsch

Op scriptniveau kampt The Cut evenwel met een serieus probleem. Net als in veel rampen-survivalfilms, zoals The Impossible, verflauwt de aandacht na de eigenlijke catastrofe en het overleven: je investeert minder emotie in de vraag “vindt hij zijn dochters terug?” dan in “overleeft hij?”. Dus is het eerste uur van The Cut nagelbijtend intens, met een onvergetelijke gruwelscène in het dodenkamp bij Ras al-Ayn: de hel van Gustav Doré, ingekleurd door Edvard Munch. Maar de tweede helft, waarin Nazeret via Libanon en Cuba in de Verenigde Staten arriveert op zoek naar zijn dochters, loopt de film een beetje leeg.

Je begrijpt best waarom Akin het doet in dit monument voor de Armeense geschiedenis: de nasleep van de genocide was immers het ontstaan van een wereldomspannende Armeense diaspora. Dat laat hij zien, en hij is veel te goed als regisseur om je daarbij echt te vervelen. Maar het hoogtepunt zit in het midden van de film, niet aan het eind. Wat The Cut zeker niet tot crappy kitsch maakt. Het is juist goed gemaakte en zeer nobele kitsch.

    • Coen van Zwol