Nederlandse banken zijn kampioen kosten doorberekenen

AMSTERDAM - Kantoren aan de Zuidas van Amsterdam. Het zakencentrum van Amsterdam. foto: Bouwactiviteiten bij de Zuidas van Amsterdam. ANP LEX VAN LIESHOUT Foto ANP

Nergens hebben banken de kosten van de nieuwe regels zo sterk aan klanten doorberekend als hier.

0,0039 euro. Zoveel verdienen Nederlandse banken tegenwoordig extra op elke euro die ze uitlenen. Hoe ver de cijfers ook achter de komma staan, per bank komt dit jaarlijks neer op honderden miljoenen euro’s, zo niet miljarden, aan extra inkomsten. Voor de crisis lag de rentemarge – het verschil tussen de rente die de bank rekent aan de klant en de rente die de bank zelf betaalt om geld te lenen – bijna de helft lager.

We moeten wel, zeggen de banken. Sinds de bankencrisis eisen de maatschappij en de politiek dat wij schokbestendiger worden. En het verhogen van onze financiële reserves kost nu eenmaal geld.

Volgens critici gaan de banken veel verder dan nodig is. De Vereniging Eigen Huis verklaarde begin deze maand dat banken veel meer profiteren van de historisch lage rente dan hun klanten, die zij te veel laten betalen voor hun hypotheek. Ook toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) constateerde dit voorjaar dat nieuwe regelgeving consumenten geld kost. Dit komt door een gebrek aan concurrentie tussen de banken, constateerde de ACM in een onderzoek.

Niet ten koste van de economie

De Nederlandse situatie is uniek, blijkt uit een onderzoek van adviesbureau Vallstein, dat bedrijven adviseert over hun relatie met de banken en andersom. Nergens in de eurozone of elders in de ontwikkelde wereld is de rentemarge sinds het uitbreken van de crisis zo scherp gestegen als in Nederland. En de trend is stijgende.

Vallstein onderzocht de 108 belangrijkste banken in Europa, Noord-Amerika en Azië om te zien hoe zij zijn omgesprongen met de nieuwe, internationale kapitaaleisen. In reactie op de crisis is internationaal afgesproken dat banken voortaan een minimum aan financiële reserves moeten aanhouden (Bazel III). Vallstein wilde weten wie er uiteindelijk betaald heeft voor het versterken van die kapitaalbuffers.

Toen de regels in 2010 werden opgesteld, zei het Bazelse comité dat de invoering niet ten koste hoefde te gaan van de economie, mits de kosten evenredig werden verdeeld over alle partijen: klanten, banken zelf en hun aandeelhouders. Nu het herstel in de eurozone hapert, wijzen velen erop dat de kredietverlening van banken te duur is en mondjesmaat gaan. Banken horen de smeerolie van de economie te zijn, maar zijn dat onvoldoende.

In Azië en de VS evenwichtiger

Europese banken blijken de kosten veel meer dan Amerikaanse en Aziatische te hebben neergelegd bij klanten en aandeelhouders. Daar hebben de banken de kosten “evenwichtiger” verdeeld, door zelf ook fors mee te betalen (bijvoorbeeld door te snijden in de salarissen). Nederlandse banken zijn kampioen in het doorberekenen van de kosten aan hun klanten.

“Nederlandse banken hebben minder dan gemiddeld gedaan om hun eigen huis op orde te brengen”, zegt Hugo van Wijk, directeur van Vallstein.

“Ze hebben gevaren op de verlaging van de rente en hun eigen rentemarge verhoogd door dit niet door te geven aan de markt.”

Van Wijk ziet hierin ook een bedreiging voor de banken: als de ECB later de rente verhoogt, verkleinen de marges en daarmee de winsten.

Als ze de rente die ze aan klanten rekenen dan niet verhogen, zullen ze in de kosten moeten snijden om de winst op peil te houden. In de afgelopen zeven jaar hebben ze dat volgens het onderzoek niet ingrijpend gedaan: tussen 2007 en 2014 hebben de Nederlandse banken de kosten voor de bedrijfsvoering met 3 procent naar beneden gebracht. Ook de kosten per personeelslid daalden in die periode met 3 procent. In Amerika zijn de kosten per bankmedewerker met bijna 30 procent gedaald, al waren de gemiddelde salarissen daar voor de crisis veel hoger.

De drie grote banken, ING, Rabobank en ABN Amro waren niet bereikbaar voor commentaar, of lieten een reactie over aan hun lobbygroep, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). “In Amerika is het veel makkelijker om mensen te ontslaan. In Nederland is het arbeidsrecht strenger, waardoor een boventallige medewerker niet meteen weg is”, zegt Onno Steins van de NVB. “Mede daarom is het moeilijk om de twee landen te vergelijken.” Van Wijk werpt tegen dat het onderzoek zeven jaar beslaat, lang genoeg voor een zichtbaar effect van ontslagen.

Amerikaanse banken hebben al snel na het uitbreken van de crisis hun buffers verstevigd door nieuwe aandelen te verkopen aan investeerders. Daarmee losten zij in één klap het probleem op waar Europese banken nu jaren over doen. De winst die zij nu maken is beschikbaar om uit te keren, in tegenstelling tot de Europese banken, die winst inhouden om hun reserves aan te vullen.

Cultuurverschil

Banken in Europa zijn ook voorzichtiger geworden met het uitlenen van geld. Ze verstrekken minder kredieten en verruilen risicovolle kredieten voor veiliger geachte leningen. Dit terwijl Amerikaanse en Aziatische banken juist meer risico’s durven nemen en hun balansen hebben vergroot. Volgens Van Wijk van Vallstein komt dat door een cultuurverschil.

“In Amerika begint men gemakkelijker met een schone lei. Banken vinden daar meer dan in Europa dat het hun eigen beoordelingsfout is als een klant zijn lening niet kan afbetalen en zijn dan sneller bereid hem toch weer een krediet te geven. Dat het in Europa niet zo werkt heeft hoge economische kosten.”

De NVB stelt dat de verschillen in de Amerikaanse en Nederlandse bankbalansen vooral komen door de andere economische omstandigheden in die landen. In de VS herstelt de economie zich sneller, waardoor er meer vraag is naar krediet. Daarnaast zijn de balansen “moeilijk vergelijkbaar”, zegt Steins.

“In Amerika staan de meeste hypotheken – waar banken relatief weinig risico op lopen – niet op de bankbalansen, maar bij de semi-overheidsinstellingen Fannie Mae en Freddie Mac.”

Harald Benink, hoogleraar bij Tilburg University, betwist dat de grotere risicobereidheid van Amerikaanse banken vanzelfsprekend goed is voor de economie.

“Als een bank veel risicovolle leningen heeft en besluit die af te bouwen, hoeft de economie daar niet onder te lijden.”

Vallstein komt aan het eind van zijn onderzoek met een aantal onorthodoxe aanbevelingen. Het bureau vindt bijvoorbeeld dat het Bazelse comité behalve een ondergrens voor financiële buffers ook een bovengrens moet invoeren. De grote Nederlandse banken voldoen nu al aan de eisen.

“Het is vergelijkbaar met bloeddruk”, zegt Van Wijk.

“Je onderkent daarmee dat de reserves ook te hoog kunnen worden, omdat dat slecht is voor de economie. Als banken boven die bovengrens komen, zijn ze te duur voor klanten en aandeelhouders.”

Dan hebben ze immers meer rente gerekend dan nodig was, of te weinig winst uitgekeerd.

Wat toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) betreft kunnen de buffers in principe echter niet hoog genoeg zijn. Een woordvoerder wil niet ingaan op de vraag of er een bovengrens ingevoerd moet worden, maar wijst wel op een studie van DNB die dit voorjaar verscheen. Daarin concludeert de toezichthouder dat er nog genoeg ruimte is bij de Nederlandse banken om de kredietverlening voorlopig vol te houden, ook als de vermogenseisen de komende jaren nog strenger worden. DNB zegt wel de ontwikkeling van de kredietverlening en de buffers goed in de gaten te houden, omdat het “een belangwekkend issue” is.

Dertien van de veertien banken stonden op omvallen

Ook de NVB is geen voorstander van een bovengrens, maar dan om andere redenen. “Wij vinden diversiteit in de sector belangrijk en daarbij past een bandbreedte niet”, zegt Onno Steins.

“We zijn absoluut voor een ondergrens, omdat dat ervoor zorgt dat alle banken stabiel zijn. Maar daarboven moet elke bank zelf kunnen beslissen bij welke kapitalisatie zij zich senang voelt.”

De roep om een bovengrens veronderstelt dat er te veel kapitaal in het bankwezen zit, zegt hoogleraar Benink. Volgens hem is dat niet zo. “De huidige buffers zijn nog altijd historisch laag”, zegt hij.

“Ik denk dat je juist naar een hoger minimum moet. Ben Bernanke, de vorige voorzitter van de Federal Reserve, zei onlangs nog dat tijdens de crisis dertien van de veertien belangrijkste banken in Amerika op omvallen stonden. We komen dus van een ongekend laag niveau.”

De hoogte van de benodigde buffer is afhankelijk van de mate van risico die banken lopen op hun leningen. Een complicerende factor is dat banken die risico’s zelf mogen inschatten en dat doen ze verschillend. Het Bazelse comité van bankentoezichthouders heeft geconstateerd dat banken het risico van een lening soms met een factor tien verschillend wegen.

Vallstein stelt daarom voor dat banken voortaan een eerder gehanteerde, gestandaardiseerde methode gaan gebruiken. Die methode moet dan wel iets fijnmaziger gemaakt worden, om recht te doen aan de verschillen die er tussen banken zijn.

Amsterdam is heel anders dan Londen

De NVB is hier tegen, omdat volgens de belangenvereniging zelfs met een fijnmazigere aanpak onvoldoende rekening kan worden gehouden met de verschillen tussen de markten waarin de banken opereren en die tussen de banken zelf. Een hypotheek in Amsterdam is heel anders dan een hypotheek in Londen, zegt de NVB. Zij vindt wel dat de interne modellen van banken verbeterd moeten worden.

In het onderzoek heeft Vallstein een ranglijst gemaakt van hoe landen nu alles bij elkaar zijn omgegaan met Bazel III. Landen die de ‘pijn’ van de invoering daarvan eerlijker, evenwichtiger hebben verdeeld over alle betrokken partijen (de klant, de aandeelhouder en de bank zelf) scoren daarbij hoger dan banken waar vooral klanten en aandeelhouders het merendeel van de kosten hebben gedragen.

Dat is geen ranglijst van absoluten, maar hij biedt wel opmerkelijke inzichten. Vallstein heeft elk van de 108 banken een (even zwaar wegende) score toegekend voor vier aspecten, waaronder de ontwikkeling van de rentemarge (hoe lager de stijging daarvan, hoe beter) en vervolgens een totaalscore per bank berekend.

Nederland bungelt onderaan

Daarna is een gemiddelde berekend voor alle banken in één land. Opvallend genoeg bungelen de vier Nederlandse banken die meegenomen zijn in het onderzoek (ABN Amro, ING, SNS Reaal en de Rabobank) samen onderaan de lijst, op grote afstand van de rest. De Zuid-Koreaanse banken staan op één met een twee keer zo hoge score. Die banken hebben over het algemeen drastisch in de kosten gesneden.

Van Wijk zegt dat het slechte resultaat van de Nederlandse banken vooral het gevolg is van de sterke stijging van de rentemarges bij die banken en het feit dat zij minder en voorzichtiger zijn gaan uitlenen. Hij erkent dat het afbouwen van risico’s op de bankenbalans in principe niet verkeerd is, maar onder de huidige omstandigheden is het dat volgens hem juist wel: de economie komt zo maar niet vooruit.

Van Wijk denkt net als toezichthouder ACM dat het door het gebrek aan concurrentie in het Nederlandse bankenlandschap komt dat banken de kosten van de nieuwe regels vooral bij klanten kunnen neerleggen. Hij vat samen:

“Er zijn genoeg banken in Europa, maar niet in elk land.”