We blijven grote kleuters

Arno Coenen en Iris Roskam maken barokke kunst voor buiten het museum. „Een modernistisch designhuis, dat is pas kitsch”, zeggen ze bij kreeft en peperijs.

Kunstenaars Arno Coenen en Iris Roskam: „Wij zijn van de Theo en Thea-generatie. Opgegroeid met het idee dat alles kan en mag.”

Arno Coenen (42), kunstenaar, wil lunchen op één voorwaarde. Zijn vrouw, Iris Roskam (38), moet mee. In zijn verklaring schemert wat echtelijke bonje door: „Al die jaren heb ik achteloos haar ideeën en ontwerpskills gebruikt en ging er zelf naast staan glimmen.” Nu het ene na het andere megaproject zich aandient, is het tijd om „uit de kast te komen” als duo. De lunchlocatie hebben ze al bedacht. Parkheuvel, het tweesterrenrestaurant in Rotterdam waar zij tot voor kort werkte als patissier. Gegeten hebben ze er nog nooit. „Dat wordt lachen”, belooft hij vooraf. „We zullen er een memorabele middag van maken.”

Maandagmiddag, 12 uur. Arno en Iris worden door het Parkheuvelpersoneel onthaald als verloren vrienden. Twee getatoeëerde paradijsvogels in het ingetogen interieur van het pas verbouwde restaurant aan de Maas. De sommelier vult Arno’s wijnglas met een Bea, een in Rotterdam gebrouwen biertje. Arno drinkt en keurt, schuimvlokjes parelen in zijn snor en baard. Witte wijn voor Iris. Wijnarrangement? Lunchmenu? Met of zonder amuses? Iris slaat resoluut de menukaart dicht. „We wilden eigenlijk à la carte eten... Maar doe maar lekker gek.” De daaropvolgende drieënhalf uur komen er mosselen en kreeft op tafel, zeebaars en babyzeetongfilet, aardappelpoffertjes en peperijs.

In oktober, als de overdekte Markthal in Rotterdam opengaat, wordt hun grootste project tot nu toe onthuld: hun multimediale plafondschildering van 11.000 vierkante meter. Kolossale vruchten, levensechte hammen, bloemen in knalkleuren. Nu al wordt de hal de Sixtijnse kapel van Rotterdam genoemd. Voor de toekomstige Beurspassage in Amsterdam (opening oktober 2015) ontwierpen zij het plafond, de muren en de vloer.

Hun ontwerp voor de markthal werd verkozen boven dat van Erwin Olaf en van Studio Job. Grote namen. Hij, cynisch: „Zo’n pitch is net Idols.” Zij: „De directeur van het Rotterdams museum voor hedendaagse kunst heeft nog geprobeerd ons uit de competitie te houden.” Hij: „Een populistische kunstenaar noemde hij me.” Zij lacht schamper. „Zo’n grijs pak dat bepaalt wat mooi is voor de stad.” Hij: „Zo een uit de calvinistische kerk. Van die beeldenstormers. Alles moet strak en minimalistisch.” Zij: „Daarom houden ze ook zo van Mondriaan.” Wat zij maken is veel te low brow voor musea. Te barok, te veel, te kitsch. Hij, mompelend vanachter zijn baard: „Weet je wat kitsch is...” Zij overstemt zijn woorden: „..een modernistisch designhuis. Dát is pas kitsch.” Ze knikken instemmend. Maar, zegt hij, het is niet zo dat ze gefrustreerd hebben zitten wachten tot de babyboomers de slagboom naar de kunstwereld opendeden. Nee, zegt zij. „We hebben altijd werk gehad.” Was het niet als kunstenaar, dan wel als pyrograaf (hij schildert met een vuurbrander) of patissier (zij).

Hij: „Bizar wat ons overkomt. Een maalstroom.” De verklaring voor hun plotselinge doorbraak? De crisis. Hij: „Kunst is als een vod in de hoek gegooid. Niemand heeft meer geld over voor die linkse hobby. En subsidie is er al helemaal niet meer.” De steun kwam uit onverwachte hoek. Zij: „De vastgoedjongens, de bouwers. Die snappen dat kunst economische meerwaarde heeft. Gebouwen die er tof uitzien, verkopen beter. Zo simpel is het. Dus ze hebben best een paar miljoen over voor kunst.” In Rotterdam is Provast hun opdrachtgever, in Amsterdam Bouwinvest. Hij: „Eigenlijk zijn de kunsten weer terug bij af. Bij hoe het vroeger ging. Zoals bij de Asamkirche in München. De opdrachtgever zegt tegen de kunstenaar: ga lekker los, maak er wat moois van, ik betaal.” Zij: „De plafonds, de muren, de vloeren daar. Über-rococo. He-le-maal te gek.”

Voor de Amsterdamse Beurspassage bedachten ze een mozaïekplafond, goudgerande tegelmuren en een terrazzovloer. Er komen gigantische kroonluchters gemaakt van fietsonderdelen, een tapkraan voor grachtenwater en heel veel spiegels. Inspiratiebronnen zijn de onderwaterwereld van Sea World, het bedevaartsoord Lourdes, de bottenkapel van Kutná Hora in Tsjechië en de Moskouse metrostations die zijn gedecoreerd als paleizen voor het volk. Hun werk is veel, meer, meest. Zij: „Het wordt een gigantische atheïstische tempel.” Om hun ontwerp te realiseren is de allermodernste 3D-techniek nodig en het werkgeheugen van enorme computers die op speciale renderfarms in Frankrijk en Nieuw-Zeeland staan te rekenen. Tegelijk is er ook een legertje hout- en metaalbewerkers nodig, tegelzetters, grafici en goudbewerkers. Hij: „Ons werk lijkt op hoe films worden geproduceerd. Je doet het met een team en ieder heeft zijn specialisme.” Zij: „We houden allebei van de oude crafts, technieken die bijna zijn verdwenen.” In de Beurspassage doet zij al het glas- en spiegelwerk, ze is opgeleid als glasblazer. Dat heeft ze in de praktijk geleerd, niet op de Rotterdamse kunstacademie waar ze studeerde. „Daar leerde ik niks. Alle docenten zijn mislukte kunstenaars. Welke kunstenaar heeft nou tijd om les te geven?”

Hij noemt zich geen kunstenaar maar Künstler. Hij hoort niet bij een stroming, niet bij een stijl of methode. Wat hij maakt is „monumentaal” en alle technieken gebruikt hij door elkaar. „Op mijn zestiende zat ik op school in de kantine. Links zaten de rappers, rechts de hardrockers, daar hoorde ik bij. Strikt gescheiden werelden. Maar toen kwam Public Enemy, rappers met een metalband. Wow. Ineens kon alles met alles samen. In de muziek begon de cross-over van stijlen veel eerder dan in de kunst.” Zij: „Wij zijn van de Theo en Thea-generatie. Opgegroeid met het idee dat alles kan en mag. We zijn nooit echt volwassen geworden. We blijven grote kleuters.”

VPRO

Hij is de oudste van drie kinderen, opgegroeid op een woonerf in Olst. Moeder kleuterleidster, vader tekenleraar. Een Vara-nest. Zij, ook de oudste van drie, groeide op in Delft, ook op een woonerf. „Maar wij waren van de VPRO. Mijn ouders hadden last van goede smaak.” En daar had zij dan weer last van. „Ze waren de ultieme babyboomers. Alleen maar met zichzelf bezig.” Haar moeder verliet haar vader voor een ander. „Ik was vijftien, mijn vader voedde ons verder op. Of wat ervoor doorging.” Hij vond het prima dat ze naar de kunstacademie wilde. „Had hij maar gezegd dat ik iets zinnigers met mijn leven moest doen.” Ze buigt zich over tafel. „Hij is nu ook kunstenaar.” Hij, voorzichtig waarschuwend: „Je vader leest ook NRC...” Zij dendert door: „Veel mensen zijn creatief, maar niet iedereen is kunstenaar. Een kunstenaar wordt kunstenaar. Geen natuurkundeleraar, zoals hij. Nu hij met pensioen is, doet hij aan kunst.” Ze spreidt haar armen. „Weet je hoe groot zijn atelier is? Drie woonhuizen aan mekaar, en dan 38 auto’s en 600 keer per jaar met vakantie.” Hij vult aan: „Ons atelier is in de slaapkamer.”

Nog meer wijn en nog meer bier. Ik vraag hoe dat in z’n werk gaat, samen een kunstwerk bedenken. Hij: „Gewoon, bij ons in de tuin in Klaaswaal. Jointje erbij. Brainstormen gaat heel soepel.” Zij: „En daarna krijgen we slaande ruzie.” Hij zit op de computer in de slaapkamer, zij werkt aan de keukentafel. Hij: „Gewone pc’s, hè. Niks fancy.” Zij: „Apple is evil. Het is de BMW voor kunstenaars.” Hij: „BMW wordt anders wel gemaakt in Duitsland.” Zij: „Wij zijn gek op Zuid-Duitsland. En Tsjechië. Het hele voormalige Habsburgse Rijk vinden we geweldig. Ik zou nooit naar Spanje of Thailand met vakantie gaan.” Hij knikt. Zij: „Maar toch, echte kunstenaars rijden niet in een BMW. Die rijden in een... Wat hebben wij er voor één?” Hij: „Een Dacia Logan.” Hij aait ondertussen over zijn baard. Nu elke hipster er een heeft, overwoog hij hem af te knippen. Zij, opstandig: „Wij zien er dus al jaren zo uit.”

Hij is de vechter van hen tweeën. „Als er een pitch is, ga ik erheen om ons ontwerp te presenteren. Ik moet winnen. Tot de presentatie ben ik totaal monomaan. Ik kan aan niks anders meer denken.” Zij: „Tot ik er genoeg van heb dat jij met dat gedrag van je ons gezinsleven ontregelt.” Zij is de techneut. „Dan verzint hij iets en dan zeg ik: nee, dat kan niet, dat wordt een zooi.” Hij: „We zijn yin en yang. Een pot en een nicht. Ons force field is in balans. We zijn in relatietherapie geweest. We moesten leren onze plek te bevechten.” Zij: „Je bedoelt: dat niet alles wat jij doet belangrijker is dan wat ik doe.” Hij: „De psycholoog zei dat we allebei eigenlijk heel gevoelige mensen zijn...” Zij: „Ik dacht altijd dat ik keihard was...”

Toetje. Glaasje dessertwijn voor haar. Hij vertelt over zijn angststoornissen en paniekaanvallen. Soms wordt hij ’s nachts wakker. Zij: „Denkt ’ie dat ’ie doodgaat. Ik zeg: is goed, maar wacht even tot morgenochtend.” Vliegen doet hij niet meer, en sinds hij een keer in de file voor de Van Brienenoordbrug heeft gestaan, gaat hij geen brug meer over. Met hoogtevrees heeft het niks te maken, zegt hij. „Het is het verlies van controle. Dat ik word afgeremd, tegengehouden. Dat ik niet dóór kan.”

En het gezinsleven, met een vrouw, een zoon van vijftien uit een eerdere relatie, en drie kinderen van zeven, zes en twee thuis, is voor hem niet... beklemmend? Zij, provocerend: „Onze kinderen zijn heel zelfredzaam als we aan het werk zijn. Zolang ze maar snoep, chips en televisie hebben.” Hij zegt dat hij juist veel baat heeft bij de structuur en regelmaat van het huwelijk en het gezin. „Het liefst neem ik Iris overal mee naartoe.” Hij wijst op zijn lege bierglas. „Dat helpt ook de remmingen weg te halen.” Zij, triomfantelijk: „Roken en drinken is in onze professie nogal gebruikelijk.”

Het is vier uur. De bordjes met friandises zijn nagenoeg leeg. We vragen de rekening. „Wat is de schade?” Reikhalzend probeert hij over tafel het bedrag op de bon te ontcijferen. Duur?, hoopt zij. Nee, niet duur, antwoordt hij en leunt weer achterover. „Duur betekent dat je het te veel vindt voor wat je krijgt. Dit is kostbaar.”

    • Rinskje Koelewijn
    • Tekst