Wadhoppen

John Jansen van Galen wandelt in drie dagen op drie eilanden.

De lange steiger aan het strand aan de noordpunt van Texel oogt wankel, maar vol verwachting gaan we over het fragiele bouwsel van hoge palen en smalle planken aan boord van De Vriendschap, een kittig motorschip dat ons naar Vlieland zal brengen. We zijn aan komen wandelen vanuit het dorp De Waal, midden op het eiland, over de door gras overwoekerde kruin van de kilometerslange binnendijk van de polder Eijerland. Rondom ons akkers vol tarwe en koolzaad waarover steeds een zweem van zonlicht vaagde. We kopen kaartjes voor het veer en zien hoe het personeel de boot monter vol fietsen, tandems, aanhangkarretjes laadt en de tros los smijt voor de vaart over een kalme Waddenzee langs zandplaten waar je zeehonden kunt zien liggen.

Dan meert De Vriendschap af aan de Vliehors en een bakbeest van een truck, de Vliehors Express, vervoert de passagiers langs het eenzame drenkelingenhuisje over de schier eindeloze vlakte naar het oude Posthuys, terwijl de banden een gedicht in het rulle zand stansen: „Een zin nat van herinnering en overvloed, zomaar een zee gevuld met golven zonnegloed.”

In het schijnsel van de dalende zon kuieren we langs de Waddendijk, door een weelde aan lamsoor, honingklaver en ossentong naar Oost-Vlieland en nemen onze intrek in hotel Zeezicht. De hele volgende dag lopen we rondom het eiland: een en al strand, duin en wad, door velden vol rimpelroos, kamperfoelie, zoutmelde, zeekraal, schijnspurrie, zeepostelein.

In het begin van de avond schepen we ons in op de snelboot naar Terschelling. Jammer dat je op de Koegelwieck, een draagvleugelboot, in de kajuit moet blijven, maar daar staat tegenover dat je al binnen een half uur op de kade van West-Terschelling langs de stoere tjalken in de haven wandelt.

Als we op de derde dag ontwaken, ligt het wad spiegelglad voor ons. Het wordt een hete dag maar in de uitgestrekte bossen van het eiland, waar de zwarte specht erop los hamert, blijft het koel. We vinden er de dennenorchis, later in vochtige, golvende open duinvlakten de moeraswespenorchis, rode ogentroost en parnassia – en niet te vergeten twee rugstreeppadden.

Om half zes loeit de sirene van de veerboot naar Harlingen driemaal ten teken van vertrek en twee uur lang zitten we op het bovendek, het hoofd in de zon en de wind, meeuwen boven ons zwevend en de Waddeneilanden langzaam verdwijnend achter ons. Drie dagen, drie eilanden en nu al heimwee.

    • John Jansen van Galen