Vis op het droge loopt als landdier

Foto Antoine Morin

Haal een kwastsnoek uit het water, zet hem op land, en al snel vertoont zijn lichaam aanpassingen aan een wandelend leven. Dat hebben Canadese biologen ontdekt (Nature, 28 augustus). Ze wilden meer te weten komen over de evolutie van vissen tot landdieren zo’n 400 miljoen jaar geleden, en de lichaamsaanpassingen die ervoor nodig waren.

Ze kozen voor hun onderzoek de kwastsnoek (niet behorend tot de snoeken), omdat deze nog bestaande vissoort nauw verwant is aan de primitieve beenvissen waaruit de viervoeters zijn geëvolueerd. Van kwastsnoeken is bekend dat ze op land kunnen overleven. Ze hebben kieuwen, maar ook volledig ontwikkelde longen. Op land beweegt deze vis zich voort zoals vroege viervoeters dat waarschijnlijk gedaan hebben. Hij steunt op een voorvin en gooit dan hoofd en voorlijf over die vin, een beweging die wordt ondersteund door de gebogen staart af te zetten op de ondergrond. De andere vin wordt intussen naar voren gehaald en op de grond gezet als steun voor de volgende kronkel.

Jonge kwastsnoeken die acht maanden in een soort landomgeving waren opgegroeid (aquariumbakken met zand, planten en een bodempje van 3 mm water, net genoeg om de kieuwen vochtig te houden) bleken zich daarna op land efficiënter voort te bewegen dan exemplaren die zich in water hadden ontwikkeld. Ze zetten kortere, snellere, meer gecontroleerde stappen en hielden hun kop hoger van de grond. Tijdens de voortbeweging hielden ze hun vinnen dichter bij hun lichaam en sleepten die minder vaak over de grond – wat energie spaart. Ook zagen de onderzoekers al subtiele veranderingen in de drie botjes die op een rijtje liggen vanaf de voorste vin tot het schedeldak. Tijdens de evolutie van de vroege amfibieën liet het bovenste botje (‘supracleithrum’) los van het schedeldak, waardoor de nek beweeglijker werd. Bij de kwastsnoeken zorgden de morfologische veranderingen aan de botjes ervoor dat de vinnen meer bewegingsvrijheid hadden.

Dat de morfologische en gedragsveranderingen al zo snel te zien zijn bij de kwastsnoeken duidt er volgens de onderzoekers op dat de vissen een grote flexibiliteit gedurende hun ontwikkeling hebben. Ze willen nu uitzoeken of de vissen zich ook via genetische veranderingen beter aan het land kunnen aanpassen.

    • Marcel aan de Brugh