Speuren naar het democratisch tekort

Tijdens debatten over de toekomst van Europa spreken steeds meer mensen hun zorg uit over het democratische tekort. Europa moet opener worden, zeggen ze. Achterkamertjespolitiek is uit de tijd. Brussel moet verantwoording afleggen aan de burger.

Ook in recente studies uit Oxford en Boston is ‘democratisch tekort’ een sleutelbegrip. Maar zelfs die gaan opvallend genoeg nauwelijks in op de vraag wat dat tekort precies is. Het lijkt een gegeven geworden. Als je academici ernaar vraagt, komen ze met een vast lijstje voorbeelden. Naast „Europese toppen” scoort „het Europees semester” [het stroomlijnen van nationale begrotingen] steevast hoog. Ook vaak genoemd: „de benoeming van Europees commissarissen”. Een ding staat in hun ogen vast: het tekort zit altijd in Brussel. Laten we de benoemingen eens onder de loep nemen.

Eurocommissarissen worden aangewezen door nationale regeringen. De Commissievoorzitter kan hen weigeren, maar moet een goede reden hebben. Hij bepaalt – onder druk van diezelfde regeringen – wie welke portefeuille krijgt. Ten slotte houdt het Europees Parlement hoorzittingen; iedereen kan ze op internet bekijken. Vorige keer weigerde het Parlement een Bulgaarse die vragen slecht beantwoordde. In haar plaats werd Kristalina Georgjeva gestuurd – die afgelopen vijf jaar als eurocommissaris Ontwikkelingssamenwerking zo’n goede reputatie opbouwde dat ze snel werd getipt als opvolger van Buitenlandvertegenwoordiger Catherine Ashton. In 2004 wezen parlementariërs een Italiaan af die homoseksualiteit een „zonde” had genoemd en onhandige dingen over vrouwen had gezegd.

Waar zit het democratische tekort nu precies? Helemaal in het begin, als de regering iemand voordraagt? Daar hebben burgers inderdaad in geen enkel land inspraak in. Als dit een tekort is, is het nationaal, niet Europees. Brussel kan hier niets aan doen, nationale parlementen wel. De volgende fase – acceptatie van commissarissen en portefeuilleverdeling – is ook ondemocratisch. Dit komt door wheeling and dealing tot stand, met nationale regeringen en de Commissievoorzitter in de hoofdrol. Maar verlopen kabinetsformaties in Den Haag of formaties van gemeentebesturen zo anders? Ook dit is het uitruilen van belangen achter de schermen. Burgers doen daar zelden moeilijk over. Ze begrijpen: als je dit in de openbaarheid doet, kunnen politici niet onderhandelen. Intrigerende vraag: waarom accepteren burgers dit wel bij het aanwijzen van, zeg, B&W in Utrecht, en niet bij eurocommissarissen?

De volgende fase is het toetsen door het Europees Parlement. Dit is de enige democratische episode in het hele benoemingsproces. Gekozen mensen die er ook nog verstand van hebben, grillen de kandidaten over hun portefeuille, urenlang. Journalisten doen verslag. Iedereen kan de filmpjes zien. Waarom kijkt er dan niemand?

Een YouTube-filmpje met de Griekse Eurocommissaris Damanaki is vier jaar na dato 2.000 keer bekeken. Een fragment over ‘net-neutraliteit’, uit Neelie Kroes’ hoorzitting in januari 2010: 199 keer.

Het democratische tekort zit dus op zijn minst aan twee kanten: in Brussel én in de nationale hoofdsteden. Aan twee kanten kun je dit repareren: via het nationaal parlement en via het Europees parlement (als ze in tandem konden werken, zou dat nog beter zijn). Uit dit voorbeeld blijkt dat het Europees Parlement verder is dan nationale parlementen. En de burger klaagt wel, maar toont nauwelijks interesse. Misschien wordt het eens tijd voor een serieuze leerstoel ‘democratisch tekort’.

    • Caroline de Gruyter