Onverenigd Koninkrijk

Hoe verenigd is het Verenigd Koninkrijk nog? Over twee weken stemmen de Schotten over onafhankelijkheid. De Noord-Ieren voelen zich miskend. De Engelsen vinden dat er niet naar hen wordt geluisterd. En de Welsh willen meer zelfstandigheid.

‘Ik geloof met hoofd, hart en ziel in het Verenigd Koninkrijk. We hebben samen zo veel bereikt, we kunnen samen nog zo veel bereiken. Ik hoop dat als de tijd daar is, de Schotten in ons gezamenlijk thuis blijven.” Die woorden sprak de Britse premier David Cameron in Schotland, dat over twee weken bij referendum mag stemmen over onafhankelijkheid. Maar is er nog wel een gezamenlijk thuis? Hoe verenigd is de unie van Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland nog als in één land serieus wordt gedebatteerd over onafhankelijkheid? Als het kleinste landsdeel – Wales – openlijk om meer zelfstandigheid vraagt? Als sommige inwoners van het altijd problematische Noord-Ierland het Schotse referendum zien als een nieuwe kans op hereniging met Ierland? En als in Engeland de onvrede groeit omdat de andere drie eigen parlementen hebben, eigen budgetten?

De Schotten zullen, zo blijkt uit de laatste peilingen, met een kleine meerderheid voor de unie met de anderen stemmen. Maar dat lost de existentiële verwarring waarin het Verenigd Koninkrijk verkeert niet op. Want als het referendum in Schotland iets heeft blootgelegd, is het hoezeer het begint te wringen tussen de vier landen die samen één koninkrijk vormen.

Nu was het Verenigd Koninkrijk nooit een huwelijk tussen gelijken, sociaal noch economisch. Wales werd ingelijfd, Ierland bezet. Alleen Engeland en Schotland waren vanaf 1707 gelijkwaardige partners. Verder is het Verenigd Koninkrijk een land dat het midden houdt tussen een eenheidsstaat en een federale unie. Met één monarch, twee staatsreligies, twee officiële talen, drie juridische stelsels, vier verschillende onderwijssystemen en gezondheidsdiensten. In de huidige vorm is het koninkrijk niet eens zo oud: het ontstond pas na de Ierse onafhankelijkheid in de jaren 20.

Op reis door de vier landsdelen van het koninkrijk, op zoek naar wat de Britten bindt, springt vooral in het oog hoe groot de verschillen zijn. Natuurlijk: overal vind je een Marks & Spencer, een Costa Coffee, drogisterij Boots, een WH Smith-boekhandel. De Britten kijken massaal naar The Great British Bake Off en Eastenders, het favoriete gerecht is chicken tikka masala. Op een dorpsfeest in het Engelse Dorset kun je een Ierse dansgroep aantreffen. In Schotland een Engelse afternoon tea. In de straten van Cardiff in Wales een Engelse doedelzakspeler. In Noord-Ierland Schotse doedelzakspelers.

Maar Schotland, Wales en Noord-Ierland zijn zelfs na ruim driehonderd jaar nooit Engels geworden. Het zijn andere landen, met andere humor, andere verwachtingen, andere politiek.

Etnische tegenstellingen ontbreken, maar de politieke worden steeds groter. ‘Londen’, het machtscentrum, droeg vijftien jaar geleden een reeks bevoegdheden over aan nieuwe parlementen in Edinburgh, Cardiff en Belfast. Die zogenoemde ‘devolutie’ heeft het gevoel van anders-zijn in die landsdelen onmiskenbaar versterkt. Ze zijn sindsdien bijvoorbeeld zelf verantwoordelijk voor de gezondheidsdienst NHS en maken daarin elk andere keuzes. Juist het recht op gratis gezondheidszorg was iets dat alle Britten verbond.

Men kent elkaar bovendien nauwelijks. „Probeer maar eens Engels nieuws te vinden als je in Schotland bent”, schamperde Fraser Nelson, hoofdredacteur van het Engelse conservatieve tijdschrift The Spectator , zelf een Schot. In de Welshe Western Mail staat Brits (lees: Engels) nieuws op pagina 8. Onder het kopje ‘wereldnieuws’.

Zelfs het BBC-journaal is geen gemeenschappelijke deler: „Het heeft niets met mijn eigen ervaringen te maken”, zegt Stephen Noon, campagnestrateeg van de Schotse nationalisten. „Engels onderwijs? Het is voor mij net zo relevant als een onderwijsverhaal uit Nederland.”

„Er is geen emotionele investering meer in het Verenigd Koninkrijk”, signaleert Jim Gallagher, als hoogste ambtenaar verantwoordelijk voor de devolutie. „Ik moet mezelf af en toe in mijn arm knijpen. Het is warempel mogelijk dat het besluit valt dat de unie ophoudt te bestaan.”

Schotland is anders

Devolutie was het antwoord op de groei van Schotsheid. Het gevoel Brits te zijn, verwaterde steeds meer nadat de gezamenlijke vijand uit de Tweede Wereldoorlog was verslagen: bij de laatste volkstelling noemden meer Britten zich louter Schots (62 procent), Engels (60 procent), Welsh (58 procent) of Noord-Iers (29 procent) dan ooit.

Maar met identiteit heeft de verwarring waarin het Verenigd Koninkrijk nu verkeert, slechts zijdelings te maken. De Schotten zijn zich, in de vijftien jaar dat ze een eigen parlement hebben, niet Schotser gaan voelen. „Dit referendum gaat niet over Schotsheid. Dit gaat over soevereiniteit”, zegt Angus Robertson, partijleider van de Scottish National Party in het Britse Lagerhuis: „Veel ‘nee’-stemmers voelen zich net zo Schots als ‘ja’- stemmers.”

Dat blijkt in Ceres, een dorpje in Fife. Het is het weekeinde na de herdenking van de Battle of Bannockburn (1314), de laatste slag die de Schotten van de Engelsen wonnen. In Ceres houdt men traditiegetrouw Highland Games. Zevenhonderd jaar geleden kwamen de mannen terug van de strijd, en toonden ze op Bow Butts, het grasveld in het midden van het dorp, voor het eerst hun kunnen.

Schotser kan bijna niet. Breedgeschouderde mannen in kilt werpen boomstammen, hooibalen en rotsblokken. Er is een doedelzakcompetitie waarop uit het hele land de beste spelers zijn afgekomen. Kleine meisjes met benen van elastiek dansen er op de muziek.

Langs de kant van Bow Butts en in de enige pub van het dorp, zijn evenveel voor- als tegenstanders van onafhankelijkheid te vinden. Huw Bell, de Conservatieve Lagerhuiskandidaat, zegt: „Ik voel me een Brit met Schotse schakeringen”. John Mitchell, wiens familie „al zo lang als we ons kunnen herinneren” in een grijs huis aan de green woont, zegt dat afscheiding „belachelijk” is. Doedelzakspeler Greg noemt zichzelf echter „een onafhankelijkheidsstrijder in hart en nieren”. En gymleraar Richard Gallagher omschrijft zichzelf als „een vlagdragende Braveheart”.

Het verschil zit hem in hoe deze Schotten naar Londen kijken. Zoals het onafhankelijkheidsdebat alle Schotten verdeelt in diegenen die geloven dat Schotland beter af is met de Engelsen, en zij die vinden dat Schotland de Engelsen niet nodig heeft. Bell wijst op de voordelen van een grote unie: „Samen staan we sterker in een geglobaliseerde wereld.” Gallagher zegt juist: „Als je de armoede hier ziet, kun je niet zeggen dat de unie zo geweldig werkt.”

Veel Schotten redeneren zo. Ze hebben het gevoel dat Londen hun iets oplegt: van Thatchers gehate gemeenschapsbelasting (poll tax) tot de sluiting van scheepswerven en staalfabrieken, de privatiseringscultus onder New Labour, en de belasting op overtollige kamers in sociale woningen (bedroom tax) door de huidige coalitie. Het sentiment is nog sterker wanneer het Verenigd Koninkrijk – zoals nu – wordt geregeerd door de Conservatieven, die maar één Schots kiesdistrict in het Lagerhuis vertegenwoordigen.

„Labour dacht dat met devolutie het soevereiniteitsstreven zou uitsterven – zelfs de Scottish National Party dacht dat”, zegt oud-ambtenaar Jim Gallagher. „We bouwden immers voort op de instituties die er al waren.”

Maar devolutie versterkte tegelijk het gevoel anders te zijn. De Schotse regering maakt op de terreinen waarover zij bevoegdheid heeft – onderwijs, gezondheidszorg, transport, landbouw – andere keuzes dan Londen. Dus krijgen de Schotten gratis hoger onderwijs, gratis medicijnen, en gratis ouderenzorg. De Engelsen niet.

Daarbij komt dat de Britse regering bezuinigt op juist datgene wat de Britten verbindt: de bijstand. Het is de reden waarom de Better Together-campagne, die moet voorkomen dat de Schotten voor onafhankelijkheid stemmen, worstelt met het overbrengen van het idee van één land waarin men lief en leed deelt.

Als de afgelopen maanden iets is bereikt, is het juist dat de Schotten opnieuw hebben gezien hoe zij van de anderen verschillen, signaleert Nicola McEwan van het Scottish Centre on Constitutional Change in Edinburgh. „Dit debat heeft iets met dit land gedaan dat ik nog niet onder woorden kan brengen, maar wel voel. We hebben existentieel zelfonderzoek gepleegd naar wie we zijn en hoe we geregeerd willen worden. Zelfs als het antwoord op de vraag of we onafhankelijk willen zijn ‘nee’ wordt, voelt de unie minder onvoorwaardelijk.”

Wales wil zelfstandig zijn

Ook in Wales zegt men dat er steeds minder voor de unie pleit. Niet dat de Welsh onafhankelijk zouden willen zijn – slechts 10 procent is voorstander van afscheiding. Alleen zou Wales het niet kunnen redden; er zit geen olie of gas in de grond, de kolenmijnen zijn dicht of al lang niet rendabel meer en de economie is gebaseerd op de publieke sector – waar nu de bezuinigingsklappen vallen. Bovendien zijn Engeland en Wales sinds 1536 bestuurlijk verbonden. In tegenstelling tot Schotland heeft Wales bijvoorbeeld geen eigen rechtspraak.

Maar ook hier groeien de verschillen op juist die terreinen waarop de Welsh Assembly, het parlement van Wales, beleid mag maken. „Wales onderscheidt zich door niets te doen”, zegt Lee Waters, directeur van de denktank Institute for Welsh Affairs: „De Conservatieven in Engeland laten de verzorgingsstaat los, Wales niet. Engeland kiest voor een ander eindexamenmodel, Wales niet. Hetzelfde gebeurt met de NHS.” In Engeland wordt steeds meer zorg geprivatiseerd, in Wales niet.

Lee Waters ziet nog een crisis opdoemen: Brexit. Als het aan sommige Engelsen ligt, trekt het Verenigd Koninkrijk zich terug uit de Europese Unie. Maar Wales profiteert als arme regio juist van Europese subsidies.

De Welsh voelden in eerste instantie weinig voor devolutie, die hen werd opgedrongen omdat de Schotten óók een parlement kregen. Waar in Schotland vakbonden, kerken en andere maatschappelijke organisaties zich hard maakten voor gedeeltelijk zelfbestuur, ging in Wales de helft van de bevolking niet eens stemmen. Juist voor de Welshe identiteit was het Verenigd Koninkrijk de redding geweest. Onder de paraplu van ‘Brits’ raakte Welshness niet bedolven. Een Welshman kon zowel Brits als Welsh zijn.

Het is begin augustus als Wales zijn Welshness viert. In Llanelli wordt de jaarlijkse Eisteddfod gehouden, een enorm cultureel festival. Het houdt sinds 1167 de traditie van Welshness (of cymreictod) levend: de Gorsedd, de kring der druïden en barden, kiest hier de beste Welshe dichter, toneelspeler, muzikant en danser. Tijdens een bijzondere ceremonie worden diegenen die zich dat jaar verdienstelijk hebben gemaakt voor Wales – dit jaar onder andere rugbyaanvoerder Stephen Jones – geroemd.

Iedereen op Eisteddfod spreekt Welsh; van het zesjarige meisje dat beaamt dat tikka cyw iâr inderdaad chicken tikka masala is tot de oudere heer die vrolijk „Hei, hei, ble’r aeth yr haul?” roept: waar is de zon gebleven? Ook in Wales is een gesprekje over het weer altijd goed.

Taal onderscheidt de Welsh. Toch is het niet wat een Welshman Welsh maakt, zegt Leanne Wood. Zij spreekt geen Welsh. Van de partijleider van de nationalistische Plaid Cymru, die voor onafhankelijkheid pleit, zou je het tegendeel verwachten. „Ik leer het”, zegt ze. „Maar mijn dochter van negen heeft me al ingehaald.”

Net als Schotsheid is namelijk ook Welshness steeds meer een politieke identiteit. De Welsh hechten belang aan het publiek bezit van publieke diensten. „Of dat nu het beste is of niet, het wordt gevoeld als onderdeel van wie we zijn.”

Het maakt Wales linkser dan de rest van het land. De machtigste Labour-politicus van het Verenigd Koninkrijk is niet partijleider Ed Miliband, maar de Welshe premier Carwyn Jones. De laatste keer dat de Conservatieven in Wales een meerderheid hadden was in 1859, enkele jaren voordat het mannelijk kiesrecht werd geïntroduceerd. Als de Conservatieven dan in Westminster aan de macht zijn versterkt dat ook in Wales de grieven.

Inmiddels vindt ook een meerderheid van de Welsh dat beslissingen over Wales in Cardiff moeten worden genomen. Driekwart wil méér eigen verantwoordelijkheid op terreinen waarover het Britse Lagerhuis nu nog gaat, zoals politie en energiebeleid. Die eis zal alleen maar sterker worden als Schotland vóór onafhankelijk stemt, of – zoals het er nu naar uitziet – na een ‘nee-stem’ meer autonomie en bevoegdheden zal weten te bedingen.

„De Welsh willen niet onafhankelijk zijn, maar zelfstandig”, is het subtiele onderscheid dat Roger Scully, hoogleraar politieke wetenschap aan Cardiff University, maakt. In het Engels is dat een verschil van twee letters: indepencence versus independent.

Noord-Iersheid

Als er één land is waar het Verenigd Koninkrijk niet in gevaar lijkt, is het opmerkelijk genoeg Noord-Ierland. Devolutie heeft ook hier gezorgd voor een eigen parlement, en hoewel de coalitie tussen unionisten en republikeinen fragiel is, blijkt uit peilingen dat de Noord-Ieren in meerderheid tevreden zijn met de Britse welvaartsstaat en economie. Bijna zestig procent – meer dan er unionisten zijn – heeft een Brits paspoort (19 procent een Iers).

Devolutie heeft nog een onvoorzien gevolg gehad: bij de census van 2011 omschreef 29 procent zich voor het eerst als Noord-Iers, in plaats van Brits of Iers. Vooral hoogopgeleiden noemen zich zo.

„Het is een culturele identiteit, een manier om te zeggen ‘ik haat de ander niet, de status quo is aanvaardbaar’”, zegt politiek commentator Alex Kane, oud-voorlichter van de gematigde, pro-Britse Ulster Unionist Party. Maar gevraagd naar vijf dingen die Noord-Iersheid symboliseren, zoals de kilt onmiddellijk associaties met Schotland oproept, en het Welsh met Wales, blijft hij stil. Een paar uur later stuurt hij een sms: „Mijn vriendin weet ook niets.” En een week later: „Heb het nu meerdere vrienden gevraagd. We komen nergens op.”

De vraag naar identiteit blijft beladen. Alleen een buitenlander mag – durft – hem te stellen. Onderling proberen Noord-Ieren via omwegen uit te vinden wat iemand is: „Er is die instinctieve behoefte elkaar in politieke en religieuze hokjes te stoppen: je vraagt naar een achternaam, naar de school, luistert of iemand de h uitspreekt als haitch – wat katholiek is – of aitch – protestant.”

Kane: „We mixen nu. Maar er zijn nog altijd gesprekken die je niet hebt, op je werk, of als je niet zeker weet wat iemand is.”

Het betekent niet dat diegenen die zich louter Brits voelen tevreden zijn over hun landgenoten op het Britse eiland. „Ze vergeten ons”, zegt fabrieksarbeider Darren McPhilips. Hij wijst erop dat tijdens de Olympische Spelen het team ‘Team GB’ heette: „Waar bleven wij?” Het land heet immers officieel: het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië én Noord-Ierland. „We hebben allemaal hetzelfde paspoort”, klaagt oud-politieman John McDowell. En makelaar Graham Barton signaleert: „De enigen die zich verder Brits noemen, zijn allochtonen. De rest van het land ziet ons in eenzelfde context.”

Columnist Kane beaamt dat: „Ik heb nog nooit een premier gepassioneerd Noord-Ierland horen verdedigen zoals David Cameron laatst met Schotland deed. De gemiddelde Brit ziet ons als die gevaarlijke idioten aan de overkant van de Ierse Zee.”

Dat ligt deels aan de politiek. Terwijl de ministers voor Schotland en Wales in het Britse kabinet zitten om hun landen te vertegenwoordigen, is de minister voor Noord-Ierland nog altijd een scheidsrechter tussen nationalisten en unionisten.

Met argusogen wordt in Belfast het Schotse referendum in de gaten gehouden. David Trimble, oud-leider van de Ulster Unionist Party, heeft al gewaarschuwd dat de vraag of Ierland herenigd moet worden „van een non-issue een belangrijke kwestie” wordt bij een ‘ja’-stem. Voor Sinn Féin-partijleider Gerry Adams, die één Ierland nastreeft, biedt deze episode een uitgelezen kans. Hij zei dat de vereniging van het koninkrijk nu echt „aan een zijden draadje hangt”.

Ook de Engelsen mopperen

Maar de olifant in de kamer, het probleem dat iedereen ziet maar negeert, is Engeland. De Engelsen hielden nooit een debat over identiteit, noch over politieke vertegenwoordiging of soevereiniteit. „Ze weten niet wat ze willen”, zegt een Schotse journalist. „Ze bewegen zich langzamer dan wij”, zegt een collega in Wales.

Dat betekent niet dat de Engelsen tevreden zijn met de unie. Naast immigratie en het gevoel op te gaan in één groot Europa, heeft devolutie net als in de andere landsdelen het gevoel van Engelsheid versterkt: 40 procent noemt zich nu Engels en dan pas Brits – een verdubbeling ten opzichte van 2007.

De Engelsen voelen zich bovendien achtergesteld: 45 procent vindt dat sinds devolutie niet langer sprake is van fair play. Want waarom betalen studenten in Schotland geen collegegeld, en die in Wales en Noord-Ierland een derde van de 9.000 pond die Engelse studenten betalen? Waarom is er geen minister voor Engeland? Waarom moeten de Engelsen aankloppen bij het landsparlement in Westminster en heeft het land dat 85 procent van de bevolking herbergt geen eigen volksvertegenwoordiging?

Verpleger Eddie Bone voert al jaren campagne voor het laatste. Ergens in het midden van Engeland – York wordt veel genoemd – zou een Engels parlement moeten komen, dat net als de drie andere parlementen verantwoordelijk wordt voor onderwijs, gezondheidszorg, landbouw. „Engeland was altijd onverschillig. Nu niet meer”, zegt hij. Toch lijkt het nog te vroeg voor een ‘Engelse opstand’. Zijn Campaign for an English Parliament is onder gewone Engelsen nauwelijks bekend, en wordt door politici niet serieus genomen.

Tot Bone’s frustratie: „Wie gaat Engeland vertegenwoordigen bij onderhandelingen?” Maar al zou er zo’n vertegenwoordiging zijn, wat willen de Engelsen? Wat is het gezamenlijke doel? Het grootste probleem is dat het gevoel van Engelsheid weliswaar groeit, maar dat niemand het kan benoemen.

Piddlehinton, diep in Dorset, kan bijna niet Engelser: cottages met rieten daken en klimrozen, een meanderend beekje, en een kerk uit 1295. Het dorp werd al genoemd in het Domesday Book van 1068.

In de tuin van de Old Rectory wordt een dorpsfeest gehouden. Vriendelijk begroet de dominee de bezoekers: boeren in kaplaarzen, vrolijk blozende kinderen, jonge moeders in bloemenjurken. De dorpelingen verkopen zelfgemaakte cakes en jams, doen mee aan wedstrijden wie de grootste courgette heeft gekweekt. Het lijkt een aflevering van Midsomer Murders, zonder de moorden. Dorpsfeesten zoals deze zijn in zuid-Engeland heel normaal. Langs alle rotondes staan in de zomer bordjes met aankondigingen. Maar op de vraag of dit Engelsheid is, blijft men een antwoord schuldig. Net als op de vraag of er een Engels parlement moet komen.

Net zo aarzelend is men in het multiculturele Leeds, in de Kirkgate Market, de grootste overdekte markt van Engeland. Hier begon Michael Marks in 1884 zijn penny bazaar, die zou uitgroeien tot het oer-Engelse Marks & Spencer. De kraam staat gebroederlijk tussen een fourniturenwinkeltje, een visboer die cockles met azijn verkoopt, de Pers met baclava en de groenteman die is gespecialiseerd in kousenband en andere Aziatische groenten.

Weinig migranten omschrijven zichzelf als Engels. De generaties die uit Britse kolonies kwamen, noemden zich Brits. Daar kwam bij dat het belangrijkste Engelse symbool – de Sint Joris-vlag; wit met een rood kruis – werd gebruikt door voetbalhooligans en het extreemrechtse National Front en de English Defence League. Engels nationalisme kreeg zo een akelige bijsmaak.

Zelfs de mensen die zich exclusief Engels noemen, die deels anti-immigratie en anti-Europa zijn en op de UK Independen ce Party stemmen, weten niet wat ze willen. Sunder Katwala, directeur van de denktank British Future, zegt: „Men verwacht dat ‘de politiek’ met een oplossing komt.” De grote middengroep, die zich zowel Engels als Brits noemt, heeft „zachte grieven” en zoekt naar „iets cultureels, in mindere mate politiek”. „Maar niemand weet wat daarvoor het forum is.”

Daarom, zegt Katwala, is het ook een vergissing dat David Cameron niet over Engelsheid wil praten. „Het idee bestaat dat het verkeerd zou vallen bij de Schotten. Maar het zal hen niet schofferen.” Hij zegt: „Cameron had een minister voor Engeland moeten benoemen. Op dit moment is er een institutionele stem voor de Engelsen nodig.”

Gelukkig voor de Engelsen is er één voordeel: Ze zijn nog altijd in de meerderheid binnen het Verenigd Koninkrijk. Er kan hen niet zo maar iets worden opgelegd, wat omgekeerd wel kan. De Engelsen kunnen het land bijvoorbeeld uit de Europese Unie halen – zelfs als de Schotten, Welsh en Noord-Ieren erin willen blijven. Gewoon omdat de Engelsen meer stemmen hebben in het Lagerhuis.

Existentiële verwarring

Zelfs als de Schotten tegen onafhankelijkheid stemmen, lijkt het Verenigd Koninkrijk niet te kunnen doorgaan zoals de afgelopen 92 jaar. De Schotten zullen, net als de Welsh, het idee houden dat ze tot in lengte van dagen worden geregeerd door politici in Londen die niet met hen op één lijn zitten. De Noord-Ieren voelen zich miskend. De Engelsen niet gehoord.

Oud-premier Gordon Brown vreesde in 2008 al voor „balkanisering” van het Verenigd Koninkrijk. Hij had het gevoel dat er na devolutie behoefte was aan nation building, en pleitte onder meer voor een museum voor Britsheid en een Dag van Britsheid.

Het sloeg niet aan. Want wat was Britsheid? Misschien dat alleen Danny Boyle, met zijn openingsceremonie voor de Olympische Spelen in 2012, erin slaagde de Britse saamhorigheid te verbeelden: koningin Elizabeth, James Bond, groene heuvels en industriële revolutie, zelfspot en vooral geen overdreven patriottisme.

Maar als de vijftien jaar sinds devolutie iets hebben aangetoond, is het dat de eigen identiteit naast de Britse kan bestaan. De eerste is de identiteit van alledag, de tweede een burgerlijke identiteit. De Welsh juichen voor hun eigen rugbyteam, de Schotten voor het hunne, maar ze zijn allemaal Britten tijdens de herdenking van de Eerste Wereldoorlog.

Aan het gevoel dat de unie ‘niet werkt’, zal wel iets moeten worden gedaan. Politiek Londen is daar inmiddels van doordrongen, en alle partijleiders hebben grote beloftes gedaan. Waaronder verdere versterking van de macht van het Schotse parlement.

Er is echter veel meer nodig dan beloftes, vindt Carwyn Jones, premier van Wales. Tijdens een lezing in Dublin, vorig jaar, zei hij: „Er moet een debat komen over de samenstelling van dit land.” Hij stelde een nieuw Hogerhuis voor, waarbij de zetels evenredig worden verdeeld over de vier landen. Het Lagerhuis zou dan een weerspiegeling van de bevolking zijn, het Hogerhuis een geografische afspiegeling, naar Amerikaans model. Anderen stellen meer belastingbevoegdheden voor of een federale unie, waarbij Engelse regio’s en de regio Londen meer macht krijgen.

Het Verenigd Koninkrijk is verenigd door instemming. De uitdaging is om beweegredenen te vinden waarin alle vier kunnen meegaan, en die voor alle vier landen even eerlijk zijn – ook voor het grootste.

Als er niets gebeurt, zullen de breuklijnen groter worden. Volgend jaar zijn er Lagerhuisverkiezingen waarbij de Conservatieven opnieuw kunnen winnen zonder dat ze een meerderheid van stemmen halen in Schotland en Wales. En in 2017 zal dan de echte testcase volgen: het referendum over lidmaatschap van de EU, dat David Cameron heeft beloofd als hij opnieuw premier wordt. De Engelsen kunnen dan het Verenigd Koninkrijk – zonder instemming van de drie anderen – uit Europa halen. Dat zal de Britse unie niet overleven.

    • Titia Ketelaar